Het humanisme voorbij: een groene visie op de mens
Het aanbod in mijn lokale bibliotheek is de afgelopen jaren merkelijk verbeterd. Er staat een kast waar de nieuwste aanwinsten worden tentoongesteld. Steevast zitten daar heel recente en kwaliteitsvolle titels tussen.
Een zo'n boek dat mijn aandacht recent trok, is Het woord dat de dood verslaat: verhalen over ware grootheid door de Nederlandse auteur Rob Riemen.
In dat essay brengt hij in een theatrale stijl en met een vleugje magisch realisme een pleidooi voor klassiek humanisme en het oude Bildungsideaal met een grote rol voor de studie van klassieke literaire werken. Dit betoog is zo oprecht, zo vrij van enige ironie, dat het aandoenlijk wordt.
Het probleem met het klassiek humanisme
Dat neemt niet weg dat het klassiek humanisme waar Riemen voor staat volgens mij achterhaald is. Het grootste probleem ermee is zijn afkeer van het gegeven dat de mens ook een dier is.
Zo schrijft de auteur op p. 92:
[Ieder mens kan] deze transcendente ideeën [...] zich eigen maken door zich te verheffen boven zijn dierlijke instincten en driften.
Nog vreemder wordt het op p. 113, waar Riemen optekent:
[Het besef] van een geestelijke wereld en een aan ons transcendente morele orde, laat de nietige mens groter dan de natuur zijn.
Deze krampachtige poging om het dier-zijn van de mens zo veel mogelijk te vergeten of onderdrukken, is een eeuwenoude vergissing.
De mens is ook een diersoort, met allerlei irrationele verlangens, emoties en gewoonten die ontstaan zijn door biologische evolutie.
Het is bevrijdend om dit te erkennen. We beseffen dan dat iedereen beïnvloed wordt door irrationele drijfveren. We worden daardoor milder en vergevingsgezinder voor anderen en voor onszelf.
De gevaarlijkste en minst aangename mensen daarentegen zijn doorgaans zij die ontkennen of niet goed beseffen dat ook zij onvermijdelijk beïnvloed worden door dierlijke en dus irrationele verlangens.
Een groene visie op de mens
Mijn antwoord op Riemens klassiek humanisme is uiteraard niet dat we ons volledig moeten overgeven aan primitieve dierlijke instincten.
Wel vind ik dat we goed moeten beseffen dat de mens ook een dier is, met een lange evolutie, waarin redelijke vermogens pas zeer laat ontstonden. Dit inzicht creëert volgens mij meer geluk dan een nogal geforceerde poging om boven ons dierlijke karakter uit te stijgen.
Om toch nog even terug te grijpen naar de klassieke idealen van Riemen: 'ken jezelf' zou er gestaan hebben op de Apollotempel van Delphi.
Een antwoord op deze vraag kan in de 21ste eeuw niet langer zonder kennis van de lange evolutionaire geschiedenis van de mens.
Een visie die de mens erkent als diersoort en de gevolgen daarvan op realistische wijze inschat, mag men gerust 'groen' noemen door haar verwijzing naar natuur en biologie.
Dit mensbeeld hoeft niet per se deterministisch of materialistisch te zijn. Hoewel men dit helaas vaak vergeet, betekent een erkenning van het dierlijke karakter van de mens niet automatisch dat we geen vrije wil hebben of dat alles slechts uit willekeurig bewegende atomen bestaat.
Het groene mensbeeld maakt wel duidelijk dat we pas realistische verwachtingen kunnen hebben van anderen en onszelf als we eerlijk zijn over onze dierlijke kant.
2025, het jaar waarin ik 25 werd, was voor mij vrij turbulent. Ik maakte een relatiebreuk door, zag vriendschappen verwateren, ondernam een aantal weinig succesvolle pogingen om nieuwe mensen te ontmoeten, verhuisde en zette een carrièreswitch in gang.
Deze ervaringen hebben mij voor een stuk een onvrijwillig isolement ingestuurd. Dat heeft mij praktisch gedwongen om te reflecteren over wat er écht belangrijk is in het leven. Ik las veel, schreef het een en het ander op deze blog, praatte veel met mensen waar ik van hou.
Bovenal probeerde (en probeer ik nog steeds) het beste van elke dag te maken. Dat is ook zo'n beetje de overtuiging achter de volgende vijf levenslessen die me pas echt duidelijk werden na m'n 25ste verjaardag.
1. Genot is op de meeste dagen het hoogste goed
Genot heeft tot op de dag van vandaag voor veel mensen een verdachte bijklank van verslaving, oppervlakkigheid en slechte smaak. Er is, als je daar wat dieper over nadenkt, echter geen enkele goede reden voor.
Ik moet uiteraard opmerken dat niet elk genot goed is. Een evident voorbeeld van slecht genot is de roes van iemand die verslaafd is aan alcohol of andere drugs. En natuurlijk zijn er ook nog andere zaken belangrijk in het leven, zoals altruïsme of zelfontplooiing.
Maar de meeste vormen van genot zijn wel goed. Bovendien vinden op de meeste dagen van iemands leven geen spectaculaire gebeurtenissen of onvergetelijke momenten plaats, maar wel momenten van gezond genot. In die zin is genot op de meeste dagen het hoogst haalbare geluk.
2. Stilte, rust en slaap zijn kostbare goederen, koester ze
Byung-Chul Han heeft volledig gelijk als hij zegt dat de moderniteit 'een tijdperk van lawaai' is (Spreken over God, p. 70). Het wordt hoe langer hoe moeilijker om stille plaatsen te vinden. Persoonlijk vind ik vooral het lawaai van brommers bijzonder ergerlijk.
We hebben stilte echter broodnodig. Dat is niet enkel iets voor monniken en senioren, dat geldt volgens mij echt voor iedereen. De prehistorische mens stelde zich niet constant bloot aan lawaai, dus wij doen dat beter ook niet.
Je hoeft daarom geen uren aan een stuk in stilte door te brengen, maar wekelijks minstens een paar keer de stilte opzoeken is volgens mij enorm goed voor je stemming, creativiteit en energieniveau.
Rust, en zeker slaap, zijn nog belangrijker. Volgens mij is het volgende een cruciaal onderdeel van volwassen worden: aanvaarden dat je niet alleen ongeveer acht uur slaap nodig hebt om gelukkig te zijn, maar dat je elke nacht best minstens een uur langer dan dat in bed doorbrengt.
In slaap vallen kost namelijk tijd, en daarnaast kan iedereen 's nachts wel eens wakker worden. Ook dan vallen we niet ogenblikkelijk weer in slaap, maar de tijd gaat wel vooruit en onze wekker zal op hetzelfde tijdstip afgaan. Daarom breng je volgens mij echt wel best ruim negen uur per nacht door in bed.
Dat voldoende slaap onmisbaar is voor een aangenaam humeur, je energieniveau en creativiteit, daarover zijn bibliotheken vol geschreven. Dat hoeft hier dus geen verder betoog.
3. Nee zeggen is even belangrijk als ja zeggen
Ik begrijp dat het kan klinken alsof ik hier wat open deuren intrap. Maar een open deur intrappen is nog niet hetzelfde als die deur ook binnenstappen. Soms moet je het ook niet te ver willen zoeken.
Ja zeggen op van alles en nog wat is gemakkelijk. Ja zeggen op elke uitnodiging, naar elk evenement gaan dat ook maar een beetje interessant klinkt, ja zeggen tegen een job, een vriendschap of een relatie waar je nochtans al lang twijfels over hebt, ...
Nee zeggen is veel moeilijker. Je maakt jezelf er niet populair mee en je kan er iets door verliezen zonder dat er direct iets beters in de plaats komt. En toch is het zo noodzakelijk. Want als je van iets (om het even wat) het gevoel hebt: 'ik wil niet dat dit zo blijft voor de rest van mijn leven', dan is het tijd om er nee tegen te zeggen.
Alleen zo kan positieve verandering een kans krijgen. Je krijgt dan tijd en ruimte om iets nieuws en beters toe te laten in je leven.
4. Misschien heb je nog meer een comedian dan een therapeut nodig
Tegenwoordig menen nogal wat mensen dat iedereen een bezoek aan de psycholoog kan gebruiken.
Daar ben ik het niet mee eens, maar ik vind wel dat iedereen eens een avondje stand-up comedy zou moeten ervaren. De laatste tijd ben ik naar comedy-optredens beginnen gaan en komische tv-series beginnen kijken. Het positieve effect daarvan gaat volgens mij verder dan het plezier van lachen en tijdelijk vergeten van al je zorgen.
Een goede comedian neemt herkenbare situaties en frustraties en vertelt hier op een grappige manier over. Omdat je daar in de zaal met een hele groep mensen samen zit te lachen met de comedian, ervaar je dat je niet de enige bent met die frustratie, die onzekerheid, die rare kantjes, ...
Je ervaart op die manier minder eenzaamheid en angst en meer verbondenheid en vreugde. En dat op een heel plezante manier.
5. Zoek bovenal de zon op
Stel je voor dat we in een soort utopie leefden waarin overal ter wereld mensen dezelfde levensstandaard hadden. Oorlog, honger, armoede en behandelbare ziekten behoorden dan tot het verleden.
In zo'n wereld zouden Afrikanen, Arabieren, Zuid-Amerikanen, Zuid-Aziaten en Aboriginals medelijden moeten hebben met ons, West-Europeanen, omdat wij zo weinig zon krijgen en relatief koud en nat weer ervaren.
Wist je bijvoorbeeld dat Brussel (volgens deze tabel op Wikipedia) de derde minst zonnige hoofdstad is van Europa? En ook de andere minst zonnige Europese steden in deze tabel liggen bijna allemaal in het westen (of noordwesten) van Europa: in Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Ierland of de Benelux.
Veel plekken in Afrika, Azië, Amerika, Australië alsook Zuid-Europa ervaren volgens ditzelfde Wikipedia-overzicht jaarlijks de helft tot dubbel zo veel zonlicht als Brussel!
De mens is heeft in zijn honderdduizenden jaren lange geschiedenis vooral geleefd in zonnige regio's zoals Afrika en het Midden-Oosten. Er zijn dus goede redenen om te denken dat veel zonlicht als gevolg van deze geschiedenis van nature goed voelt voor ons (op dezelfde manier dat bijvoorbeeld omgevingen met veel groen van nature aangenamer voelen dan overdreven grijze, verstedelijkte omgevingen). Bovendien heeft het ook goede effecten op ons.
Nu word ik even heel speculatief, maar ik vraag me oprecht af: het kan toch geen toeval zijn dat elke grote antieke beschaving (Egypte, Mesopotamië, Griekenland en Rome, de Maya's, Inca's en Azteken, China, India, ...) ontstond in relatief warme en zonnige delen van de wereld?
Ik geloof dat dit wel eens het gevolg kan zijn van de weldadige effecten van veel zonlicht (en warm weer) op mensen. Zonlicht doet bijna iedereen spontaan naar buiten komen, projecten opstarten en activiteiten ondernemen. Grote muziekfestivals vinden niet voor niets in de zomer plaats.
Wie graag meer energie en vreugde wil ervaren, zou er misschien wel goed aan doen een winterzonvakantie te boeken, naar een bestemming zoals Marokko, Egypte of de Canarische Eilanden dus. Ik heb me in ieder geval voorgenomen om dit vanaf volgende winter elk jaar te doen.
De vijf inzichten die ik hier besprak, zijn niet gigantisch origineel of diepzinnig. En toch maken ze het leven aangenamer voor iedereen.
These days, I don't play video games. Things used to be different. From my childhood until I was about 18, I spent a lot of time playing Nintendo games for the most part, and after that, I played less and less.
The reason that this happened was not some sort of conscious decision to stop gaming. In fact, I had a good time growing up playing video games. I simply found other activities which grant me more fulfillment than gaming ever can.
The main problem with video games is that, far more than any other visual medium, they take over the agency of the person engaging with them, limiting their potential. As internet philosopher Chris Gabriel put it: "Video Games allow players to satiate their Wills through virtual experience".
How can we interpret this statement?
One might argue there is little difference between watching a movie, reading a book and playing a video game. All of these involve sitting still and experiencing something that is not actually happening before your eyes.
The difference between video games and all other media, however, is twofold.
The effect the medium has on its spectator
The reader might have learned new knowledge, have new stories to tell or gained some new insights, and the same can hold true for the moviegoer or museum visitor. Above all, they can experience beauty. Save for a rare exception, the gamer, however, will have nothing much to declare after hours of gaming. While they may experience some aesthetic enjoyment, this is rarely the purpose of the gaming session.
The degree of alienation from the grandeur of reality
In chapter 10 of the Republic, Plato introduces a notorious argument against art: it is an imitation of reality, and therefore it is like an imitation of an imitation (Plato considered reality to be an imitation of ideal Forms). Art is thus even less real than reality, and therefore to be avoided, according to Plato.
This argument seems a little bit absurd when we apply it to paintings and poems. Books don't have the pretension to substitute real life. No travel guide will say it replaces the actual journey.
In my view, it makes more sense to apply Plato's argument to video games. Games, unlike other media, have a tendency to replace real experiences. This explains why they can be so addictive.
I am not just talking about simulators or games with realistic graphics here. This holds true for any video game. A platformer substitutes the desire to move one's body and explore the world. A racing game or first-person shooter placates the need to take part in competitive sports. Role-playing games thrive on the need for magic and wisdom. And so on, and so on.
The problem is that these real and healthy needs can never be adequately met only through 'virtual experience', to quote Gabriel again. We do not necessarily have false needs, as Herbert Marcuse claimed, but rather we try to satisfy our real needs in an false way.
When I recently took a wonderful walk through the local forest, I couldn't help but think: no video game could ever be as rewarding and enjoyable as this. This is a realization a frequent gamer might lose sight of.
Why people should play less video games
For the above reasons, we may argue that, in general, video games will give their users less enriching, more alienating experiences than other media will. This is why it is a good idea to play less video games and instead either engage with more enriching media, or do activities in the real world rather than their virtual substitutes.
This argument gains importance in light of the mental health crisis, or as I prefer to call it, spiritual crisis, of Gen Z. A recent Gallup poll found yet another indication of this problem, as did a UN study less than a year before that. It is particularly improbable that more video games, rather than less, will help alleviate this dire situation.
De meeste mensen beseffen gelukkig dat het welzijn van een ander even belangrijk is als je eigen welzijn.
Daarom bestaat er in bijna elke spirituele en religieuze traditie zoiets als de 'gulden regel'. Deze betekent dat je anderen behandelt zoals je zelf behandeld wil worden.
Wat we daarbij soms dreigen te vergeten, is dat dit ook betekent dat je jezelf moet behandelen zoals je wil dat anderen je behandelen.
Logisch gezien is dit hetzelfde, maar in de praktijk is het anders.
Twee verschillende perspectieven op hetzelfde principe
'Behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden': dit zou men 'de gulden regel in derde persoon' kunnen noemen.
'Behandel jezelf zoals je wil dat anderen je behandelen': dit is dan 'de gulden regel in eerste persoon'.
Het verschil tussen de twee is dus niet het principe, maar wel het perspectief: gaat het over hoe ik anderen behandel (derde persoon) of mezelf behandel (eerste persoon)?
Doe niets wat je een ander niet toewenst
In onze omgang met andere mensen passen de meesten onder ons de gulden regel gelukkig vrij goed toe (gulden regel in derde persoon).
Tegen de gulden regel in eerste persoon dreigen we al vaker te zondigen.
Mensen doen namelijk vaak het omgekeerde van wat ze anderen toewensen. Ze verliezen zich in piekergedachten, terwijl ze hopen dat hun dierbaren rust en geluk ervaren. Ze houden er slechte gewoontes op na (verslavingen in stand houden, tijd verspillen, zeuren, ...) terwijl ze toosten op de gezondheid van anderen. Het valt nochtans moeilijk te ontkennen dat goede gewoontes onmisbaar zijn voor een goede gezondheid.
Daarom is dit een goede vraag om van tijd tot tijd te stellen:
Heb ik vandaag dingen gedaan die mij ervaringen geven die ik een ander niet zou toewensen?
Deze sluit goed aan bij een andere zelfreflectievraag die ik behulpzaam vind, namelijk:
Wil ik echt dat dit (iets in mijn leven waar ik min of meer invloed op heb) zo blijft voor de rest van mijn leven?
Als je vaststelt dat je dingen doet die je een ander niet eens zou toewensen, of dat er dingen zijn die je liever niet de rest van je leven hetzelfde ziet blijven, dan is het hoog tijd voor positieve veranderingen.
Ontzeg jezelf niet het geluk dat je je dierbaren toewenst. Dat is de gulden regel, maar dan vanuit een ander perspectief.
Een pragmatisch argument tegen filosofisch pessimisme
Gisteren las ik in De Standaard een reportage over de 'scam cities' in Myanmar, complexen waar honderdduizenden ontvoerde mensen als slaven verplicht worden om online mensen op te lichten. Slachtoffers worden naar deze 'fraud factories' gelokt met de valse belofte van belofte van een goedbetaalde job.
Het is geen kleinschalig probleem. Er zouden volgens de Verenigde Naties meer dan 100.000 slachtoffers van deze vorm van georganiseerde misdaad en moderne slavernij zijn. Wie gelukt heeft, kan zich vrijkopen of wordt door de politie bevrijd.
Ik had nog nooit van 'scam cities' gehoord, maar van de buitenzinnige wreedheid van deze praktijken moest ik toch even schrikken. De getuigenissen van slachtoffers zijn verschrikkelijk.
Het filosofisch pessimisme als reactie op het lijden
Zelfs in een gebied waar het boeddhisme, met haar focus op mededogen, historisch dominant is, zijn mensen blijkbaar tot dergelijke wreedheden in staat.
Rutger Bregman zit volgens mij dan ook volledig naast de kwestie met zijn bestseller De meeste mensen deugen.
De uitspraak in deze titel mag misschien wel kloppen, maar wat doet men dan met zij die, om het overdreven zacht uit te drukken, 'niet deugen'?
Het is een feit dat sommige mensen in staat zijn om ongekende wreedheden te begaan tegen andere mensen en tegen dieren.
De moderne mens is zich hier echter bewuster van dan ooit. Men dient zich dus te verhouden tegenover het grenzeloze kwaad waartoe sommige mensen in staat zijn.
Het effect van filosofisch pessimisme
Een serieuze moderne poging hiertoe is het filosofisch pessimisme van onder anderen Arthur Schopenhauer. Deze filosofie heeft, ietwat vereenvoudigd, een negatief oordeel over het leven door de vele ellende die erin voorkomt en de onmogelijkheid van goede en plezierige zaken om hiertegen op te wegen.
Wat drijft Schopenhauer en andere filosofische pessimisten? Men kan vermoeden dat zij hun filosofie delen vanuit mededogen. Wellicht menen zij dat de mens gelukkiger wordt door het filosofisch pessimisme te aanvaarden.
Het tragische is dat men empirisch kan vaststellen dat dit niet klopt. Het filosofisch pessimisme, hoewel het logisch waterdicht is, zorgt niet voor een verhoogd gevoel van geluk. Integendeel, door haar tristesse voegt het een (weliswaar zeer klein beetje) ongeluk toe aan de hoeveelheid bestaande ellende. Deze vaststelling dreef wellicht ook Friedrich Nietzsche tot het vurig bekritiseren van Schopenhauers pessimisme.
Conclusie
Het filosofisch pessimisme heeft als doel de mens gelukkiger te maken. Het is echter zo deprimerend dat juist het omgekeerde gebeurt. Daarom moet men het filosofisch pessimisme verwerpen, tenminste als men het eens is met de doelstelling van de filosofische pessimisten.
Geïnspireerd door het werk van de Nederlandse grafisch ontwerper Jean Klare, maakte ik deze kaart als een filosofische, allegorische voorstelling van het goede leven.
Net zoals Klare heb ik een fantasiekaart getekend, waarop de namen van steden, dorpen, zeeën, rivieren, regio's en andere zaken verwijzen naar gevoelens, idealen, gebeurtenissen, woordgrapjes, ...
Het resultaat is een frivole, filosofisch getinte kaart over heel wat thema's waarover ik reeds schreef op deze blog.
Klik hier om de kaart op volledig formaat te bekijken.
Een vraag die voor grote positieve verandering zorgt
Als ik terugblik op de vele keuzes die ik het afgelopen jaar heb gemaakt, dan valt er mij daar iets aan op. Bij elk van deze beslissingen heb ik me, bewust of onbewust, steeds dezelfde vraag gesteld:
Wil ik echt dat dit zo blijft voor de rest van mijn leven?
Als het antwoord op deze vraag 'nee' luidt, dan is het tijd om iets te veranderen. Hoewel ze niet altijd even evident waren om te maken, ben ik heel blij met elk van mijn beslissingen sinds het begin van dit jaar.
Dit komt volgens mij omdat ik mezelf bovenstaande vraag steeds wel op een of andere manier heb gesteld, en, wanneer het antwoord negatief was, ingegrepen.
De 'dit' in de vraag kan van alles zijn: zowel grote dingen (relatie, werk, studies, ...) als kleinere zaken (gewoonten, activiteiten, een bepaalde emotie of gedachte waaraan je misschien te veel aandacht schenkt, ...) die echter ook een grote impact kunnen hebben op je geluksniveau.
Daarnaast kan het ook gaan om dingen die je niet doet, maar wel (meer) zou willen doen: een bepaald project afwerken, meer tijd maken voor bepaalde hobby's of mensen, ...
Het kan dus een bijzonder interessante oefening zijn om gedurende de dag je zo vaak mogelijk de bovenstaande vraag te stellen.
Focus op de lengte in plaats van de beknoptheid van het leven
Het interessante aan de bovenstaande vraag is volgens mij dat ze ook het omgekeerde doet van wat je tegenwoordig geregeld hoort. De vraag creëert ruimte en mogelijkheden door te wijzen op hoe lang je leven nog is.
Veel zelfhulpauteurs, psychologen, filosofen, coaches en anderen doen volgens mij echter het omgekeerde: ze creëren druk en onrust door te wijzen op hoe kort je leven nog is. De extreemste uiting hiervan zijn allerlei boeken, lijstjes en video's in het genre '100 dingen die je moet doen/zien/lezen/beluisteren voor je doodgaat'.
Op die manier zie je het leven als iets wat zo snel mogelijk, zo veel mogelijk gevuld moet worden, want je hebt nu eenmaal maar zoveel jaren meer te leven.
Volgens mij leidt deze visie zelden tot interessante veranderingen of acties. Je krijgt dan vooral het gevoel te weinig tijd te hebben voor te veel keuzes. Vaak leidt dat tot besluiteloosheid en minder goeie keuzes, want je weet niet waar je moet beginnen. Dan ligt je focus onbedoeld op alles wat je nu eenmaal, door tijdgebrek, niet zal kunnen doen of bereiken.
Maar, alle relativeringen van de duur van een mensenleven daargelaten, worden mensen in rijke landen gemiddeld zo'n 80 jaar. Zelfs als je al van middelbare leeftijd bent, betekent dit dat je nog heel wat jaren te gaan hebt waarover je de vraag kan stellen: wil ik dat dit of dat zo blijft voor de rest van mijn leven?
Deze vraag lijkt mij een van de gezondste vragen om af en toe te stellen bij alles wat je doet. Ze legt je focus op wat je wél wil of moet doen, maar misschien niet, of nog niet voldoende doet. Als je nog zoveel jaren te gaan hebt, waar wacht je dan nog op om de juiste keuzes te maken?
We kunnen veel leren van wat Rainer Maria Rilke ooit schreef:
[Summer] will come. But it comes only to those who are patient, who are simply there in their vast, quiet tranquillity as if eternity lay before them. (Letters to a Young Poet, brief van 23 april 1903, vertaling Penguin Classics, p. 13)
De afgelopen maanden heb ik op deze blog heel wat geschreven over hoe je je leven beter kan maken. Veel van mijn zelfhulpartikelen vind ik intussen eerlijk gezegd wat overdreven.
Er zijn echter drie gewoonten die er volgens mij met kop en schouders bovenuit steken. Grappig genoeg krijgen ze gewoonten naar mijn gevoel amper aandacht in de zelfhulpliteratuur.
1. Ga zo vroeg slapen als mogelijk
Er is veel te doen rond het gebruik van je beschikbare tijd. In mijn ervaring is er echter één iets dat met voorsprong een impact heeft op hoe vlot alles verloopt doorheen de dag, en dat is het uur wanneer je opstaat.
Uiteraard zijn er avondmensen en ochtendmensen, en vallen de meeste mensen daar ergens tussenin. Maar mensen zijn geen nachtdieren, en ook avondmensen zullen volgens mij toegeven dat ze de meest interessante en actieve dingen aan het begin van hun dag doen en meestal niet in de late uurtjes.
Ik merk zelf dat hoe vroeger ik opsta, hoe minder ik me moet haasten doorheen de dag en hoe meer ik gedaan krijg. Daarom kan ik iedereen aanraden om zo vroeg mogelijk te gaan slapen. Het is veel interessanter om een uur vroeger op te staan dan om een uur langer op te blijven en door te brengen op het internet, bijvoorbeeld.
2. Maak elke ochtend een korte takenlijst
Een takenlijst is beter bekend als een 'to-do list'. Het effect van het dagelijks maken van zulke lijsten is volgens mij het grootst wanneer dit 's ochtends gedaan wordt.
Ik som enkele voordelen van deze gewoonte op:
De kans dat je iets vergeet te doen, is kleiner, want je hebt 's ochtends alles overlopen dat je die dag wil doen.
De kans dat je je laat afleiden, is kleiner, want je hebt 's ochtends nagedacht over wat je wél wilt doen (en dus niet over alle afleidingen waarmee je je niet wilt bezighouden).
Je hebt meer energie en motivatie, want door jezelf opzettelijk even stil te doen staan bij wat je vandaag wil doen, creëer je een gezonde dosis verveling die je snel wil doorbreken door te doen wat je wil doen.
Als je op oude takenlijsten terugblikt, krijg je inzicht in waar je de vorige dagen mee bezig was. Het is een soort van minimalistisch dagboek.
3. Start je dag buiten
Dit besprak ik in mijn vorig artikel. Het geeft verbazingwekkend veel rust, energie en focus om kort na het ontbijt minstens een paar minuten naar buiten te gaan, zonder enige bron van afleiding zoals een gsm of muziekspeler bij je.
Wanneer je daar dan buiten zit en je gedachten de vrije loop laat, krijg je soms heel leuke, onverwachte ideeën.
Persoonlijk combineer ik het liefst de tweede en de derde gewoonte in dit artikel: ik ga na het ontbijt naar buiten, ga even zitten en bedenk wat ik allemaal wil doen vandaag (en bij uitbreiding de komende dagen). Vervolgens noteer ik het in een to-do lijst voor vandaag (en eventueel voor de komende dagen).
Natuurlijk is hiermee niet het laatste woord over het goede leven gezegd. Er zijn nog veel andere zaken die belangrijk zijn voor geluk. Toch verdienen de drie bovenstaande gewoonten volgens mij veel meer aandacht en navolging. Ik merk dat ze mijn levenskwaliteit aanzienlijk verhogen.
Bijna iedereen neemt zich vandaag de dag voor om minder tijd door te brengen op zijn gsm. Wat we daarbij vergeten is dat dat alleen maar zal lukken als we iets anders en beters in de plaats van het gsm-gebruik kunnen stellen.
Nu zijn er heel veel dingen die je kan doen in plaats van scrollen, maar in de ochtend, vlak voor je begint aan je werk, studies, hobby's of andere activiteiten, is dat nog het meest uitdagend.
Buiten zitten om je dag te starten
Sinds gisteren ben ik begonnen met na mijn ontbijt even naar buiten te gaan, maar dan zonder een specifieke reden daarvoor te hebben en zonder iets mee te nemen dat me kan bezighouden.
Dat laatste is ontzettend belangrijk: vroeger ging ik ook wel nog vaak naar buiten, maar dan steeds met een specifiek doel en/of ding bij me. Ik had nog niet de gewoonte om ook eens naar buiten te gaan zonder specifieke doelen.
Ga dus na je ontbijt naar buiten, maar dan zonder gsm, boeken, e-reader, handheld, muziekspeler of wat dan ook en ook zonder de bedoeling om bijvoorbeeld een wandeling te doen, te mediteren of je afval buiten te zetten.
Wat je dan best doet, is zo dicht bij huis als mogelijk is een rustige plaats zoeken. Bij voorkeur een plaats met zo veel mogelijk natuurlijke elementen. Ga dan ergens zitten of staan. Wandel af en toe eens een paar stappen verder. Kijk rond en geniet van de omgeving.
Doe dit zo lang als je maar wil.
Naast heel wat gezondheidsvoordelen, zorgt deze simpele gewoonte voor een verbazingwekkende hoeveelheid focus, rust en energie.
Een cruciale reden hiervoor is volgens mij het ontbreken van elke mogelijkheid tot afleiding terwijl men toch buiten is.
Wanneer ik dit doe, ervaar ik dat ik vooral begin te denken aan wat ik vandaag écht wil doen, en ervaar ik hier ook enorm veel energie voor. Daarnaast geniet ik ook van de omgeving. Zo zag ik wolken, de maan, paddenstoelen, noten, kippen, ...
Even niets moeten doen geeft energie en focus
Het is tegenwoordig gemakkelijk om de hele dag door altijd bezig te zijn met iets. Nochtans is het enorm interessant om minstens een paar minuten per dag niets hebben om je mee bezig te houden.
Buiten lukt dat enorm veel beter dan binnen, waar computers, boeken, tijdschriften, kranten, televisie en zo veel andere dingen binnen handbereik kunnen zijn.
Als je elke voormiddag even buiten zit zonder afleiding, dan zullen je gedachten wellicht vanzelf gaan naar hoe mooi dit landschap eigenlijk is, hoe ik eigenlijk wel vaker buiten wil komen, dat ik eigenlijk echt wel dit of dat boek nog wil lezen, dat ik dat album nog wilde beluisteren, dat ik nog eens mijn gitaar wil vastpakken, dat ik nog eens contact wil met een bepaalde vriend, ...
Elke voormiddag even naar buiten gaan en vrij associëren, geeft je heel wat energie en focus om je dag mee te starten.
Wat houdt je vandaag nog tegen om te doen wat je wil doen?
Dit is een vraag die iedereen zichzelf moet stellen.
Het antwoord daarop zal anders zijn voor iedereen. Volgens mij zijn de twee grootste obstakels op weg naar je grotere en kleinere doelen tegenwoordig:
Onnodig gebruik van sociale media
Onnodige nieuwsconsumptie
Met 'onnodig' bedoel ik hier dat het zinloos voelt en nergens aan bijdraagt: je doet het zonder bedoeling, vaak gewoon uit verveling en als je het gedaan hebt, heb je het gevoel dat je je tijd verspild hebt.
Zelf heb ik sinds enige tijd beslist om met deze twee dingen te stoppen en ervaar ik dat veel meer kan doen wat ik écht wil.
Wat ons van onze doelen afhoudt, zijn niet altijd dramatische problemen of zwaar leed. Minstens zo vaak gaat het om kleine, onopvallende verslavingen (aan sociale media, games, nieuws, ...) die ongemerkt behoorlijk wat tijd en energie vreten.
Als je erin slaagt om deze onopvallende obstakels op te ruimen, dan vind je een prachtige weg naar geluk.
De ultieme eeuwige sleutel tot succes, liefde en geluk: Alle zelfhulpboeken ooit samengevat in één alinea
Ten geleide
Mijn naam is Jef en ik ben een konijn. Ik ben ergens in de vijftiende eeuw geboren en leef nog steeds. Ik kan lezen, schrijven en spreken. Dit heb ik te danken aan een boerenvrouw uit Damme die haar toverspreuken slecht richtte, waardoor ze onbedoeld steeds bij mij terechtkwamen.
De dame heeft dan maar beslist om de hekserij af te zweren en is tot een plaatselijk klooster toegetreden. Mijn precieze oord houd ik al eeuwen goed geheim, geducht als ik ben voor hongerige jagers. Slechts af en toe heb ik nog eens de goesting om in mijn mensenvorm naar buiten te gaan.
Hoewel de mensen vandaag, in tegenstelling tot de boeren van vroeger, wel kunnen lezen, hebben ze hier jammer genoeg amper tijd voor. Toch worden er nog boeken verkocht. Blijkbaar zorgen vooral verhalen over vurige liefdes en misdaden voor een stevige wortel op de plank van hun schrijvers. Dat was in mijn jonge jaren niet anders.
Maar wat ik niet ken van vroeger, zijn de vele boeken over hoe je een gelukkige en gezonde mens kan worden. ‘Zelfhulpboeken’, zo noemen de mensen dit soort boek. Over hoe je de juiste levensgezel kan vinden, je goede gebruiken kan eigen maken en over hoe je reist naar het mystieke land Nu. Dat is precies nieuw.
Ik begrijp niet zo goed dat het schrijvend volk daar zo veel verschillende boekwerken over maakt. De mensen kunnen nu al moeilijk tijd vinden om een boek te lezen, laat staan een paar dozijnen, over hoe je er vrolijker op kunt worden.
Daarom heb ik beslist om eenieder die dit geschrift ontdekt, het een stuk makkelijker te maken. Ik heb namelijk al deze zogenaamde 'zelfhulpboeken' zelf al gelezen (als werkloos konijn gaat mij dat prima af), en vertel er hierna het belangrijkste uit.
Alle zelfhulpboeken ooit geschreven samengevat in één alinea
Maak plannen. Stel prioriteiten. Wees spaarzaam met je geld. Werk samen. Slaap voldoende. Wees positief en optimistisch. Wat je denkt, trek je aan. Let op je woorden. Luister goed naar anderen. Neem niets persoonlijk. Maak niet te veel aannames. Doe altijd je best. Wees in het hier en nu. Neem de dingen niet te serieus. Maak je geen zorgen over dingen waar je geen controle over hebt. Leer jezelf goede gewoonten aan. De tijd gaat snel, gebruik hem wel. Accepteer je tekortkomingen. Doe meer van de dingen waar je goesting in hebt.
Ziezo, dat is heel wat tijd en moeite bespaard. Nu moet de gelukkige lezer van dit werk nooit nog een zelfhulpboek kopen. Men mag als dank steeds wortelen achterlaten in de velden van Damme, deze kom ik dan zo spoedig mogelijk ophalen.
In mijn vorige blogpost besprak ik hoe mensen volgens mij meer dan ooit reizen omdat het moderne leven buiten de vakantieperiodes voor velen ongezond snel gaat.
Dat kan ook niet anders, gezien de hoge snelheid van het moderne leven. We hebben werkweken van 38 uur of langer (want hoe langer de werkweek, hoe sneller een hoeveelheid werk gedaan wordt), fastfoodrestaurants, online aankopen die de volgende dag bezorgd worden, winkels die bijna de hele dag open zijn, …
Gras groeit niet sneller door er aan te trekken
Hoe kunnen we ooit een samenleving krijgen waarin mensen niet langer bijna dagelijks stress en tijdstekort ervaren? Hoewel het maar de vraag is of dit ooit zal of kan gebeuren, is het antwoord volgens mij: een terugkeer naar een zo zelfvoorzienend mogelijk agrarische levensstijl.
Wie zoveel mogelijk zelf zijn voedsel zou moeten verbouwen, ervaart dagelijks dat dingen (landbouw, net als al de rest) hun tijd nodig hebben. Harder en sneller werken wordt dan onnodig, want de planten en dieren groeien steeds aan hetzelfde tempo, en de seizoenen herhalen zich eveneens jaarlijks op dezelfde manier.
Stel je voor dat iedereen opnieuw zijn eigen eten zou kunnen voorzien. Voor wie of wat zouden we ons dan ooit nog haasten?
Ik kan me voorstellen dat deze oproep tot een terugkeer naar kleinschalige zelfvoorzienende landbouw, zoals door Chris Smaje verdedigd, bijzonder utopisch klinkt. Maar misschien is de echte utopie wel de verwachting dat nog meer technologische vooruitgang en schaalvergroting, nog meer moderniteit dus, ons gevoel van tijdstekort en haast plots op een dag zullen wegnemen.
In de tussentijd kan ik iedereen maar aanraden om een moestuin te nemen en te waarderen hoe de planten hun tijd nemen om te groeien. Het zou ons allen goed doen om weer meer te leven volgens het tempo van het land.
Wat de professionele filosofen niet begrepen hebben over het massatoerisme
Toerisme is groter dan ooit. Hoewel de coronamaatregelen voor een tijdelijke dip hebben gezorgd, zijn er sterke indicaties dat vandaag de dag meer mensen dan ooit op reis gaan.
In 2024 reisden Belgen langer en verder dan ooit, en omgekeerd was er een recordaantal overnachtingen in toeristische accommodatie in België, alsook in de rest van de EU. Een snelle zoekopdracht leidt tot gelijkaardige nieuwsberichten uit andere landen.
Redenen genoeg voor professionele filosofen om hun visie over dit fenomeen te delen.
Waarom reizen wij?
"[We] moeten weg, en voelen dat ons iets ontnomen wordt als dat niet kan", poneert Ruud Welten streng. "Soms is het genoeg – en misschien zelfs wijzer – om in je eigen huis, je eigen buurt, je eigen ritme te blijven om daar, met aandacht en traagheid, opnieuw de schoonheid te zien", suggereert François Levrau.
Jan Drost stelt in gelijkaardige zin en schijnbaar zonder veel ironie:
Het is mogelijk dat iemand een wereldreis maakt en bij thuiskomst niets wetenswaardigs te melden heeft. Daarentegen kan zich tussen iemands voordeur en de schuifdeuren van de Albert Heijn een innerlijke wereldreis voltrekken.
Velen van die reizigers (en al zeker zij die naar populaire massatoeristische bestemmingen trekken), zijn duidelijk op de vlucht voor zichzelf. "Mensen gaan vaak op reis uit gemis", beweert Olaf Tempelman.
"Hoe ver je ook vliegt, jezelf laat je nooit thuis achter", schrijft Levrau ietwat vermanend. Alain de Botton is het met hem eens en noteert: "We have no choice but to bring ourselves along to every destination we ever want to enjoy."
De conclusie van dit alles lijkt dan: je hoeft echt niet zo vaak en zo ver te reizen, en als je het dan toch doet, doe het dan wat kalmer en bewuster. En dat kan zo te zien ook tijdens een alledaags wandelingetje naar de winkel.
Reizen als normale reactie op de moderniteit
Wat deze filosofen echter lijken te missen, is dat het ongekende succes van (massa)toerisme wellicht meer is dan gewoon platvloers escapisme. Volgens mij is het eerder een normale en gezonde drang om even te ontsnappen aan het ongezonde en onmenselijk snelle tempo van het leven in de moderniteit. 'Eventjes ertussenuit', zoals men dat dan zegt.
Weltens noemt vakantie 'een collectieve neurose, in de psychopathologische zin van het woord'. Dat kan er niet verder naast zitten: vakantie, en specifiek op reis gaan, is juist een gezonde en normale reactie op de onredelijk snelle manier van leven van de moderniteit.
De vakantie is voor veel mensen namelijk de enige echte tijd van het jaar waarin ze op een normaal en gezond tempo kunnen leven. Zeker als men dan ook nog eens op reis gaat. Van een toerist verwacht namelijk niemand dat die dingen snel doet. In een hotel mag men tijd nemen om te ontbijten, net zoals men de tijd mag nemen om toeristische attracties te bezoeken of gewoon de streek te ontdekken. Het is meer dan normaal dat mensen hier vandaag meer dan ooit naar verlangen.
My yearning is deeper than the ocean,
higher than the mountains.
From the body it comes,
it precedes thoughts and words.
It knows time nor place.
We are our desires:
This shall be our strength.
I wouldn't otherwise dare to write poetry, but I came up with this one in the shower this morning and felt it was too nice not to write down.
In Symposion, mijn favoriete alternatieve geschenkenwinkel, ligt er een kleine unieke collectie boeken. Een van de boeken die daar steevast ligt is Ja: Omdenken als levenshouding door Berthold Gunster.
De prijs (minstens €25) en het nogal afwijkende formaat (waardoor het moeilijk in mijn boekenkast zou passen) weerhielden me er echter steeds van om het boek aan te schaffen. De nietzscheaanse omslag trok echter bij elk bezoek aan de winkel mijn aandacht.
Dan besloot ik maar om een ander en veel korter e-book van de auteur te kopen voor de prijs van een kopje koffie: Ja-maar... omdenken: kijk - denk - creëer.
In 64 luchtige bladzijden doet de auteur daar zijn praktijk van omdenken uit de doeken.
We hebben allemaal problemen. Soms kunnen problemen opgelost worden, maar heel vaak ook niet. Wat kan je dan wel best doen? Gunsters antwoord: omdenken. Hij geeft daarvan de volgende definitie:
(denk)techniek om problemen te transformeren in mogelijkheden
Nadat ik dit super korte boekje uit had, vroeg ik mij af hoe ik dit nu kon toepassen.
Het probleem waarmee ik momenteel het meeste zit, is dat ik single ben en dat niet zo fijn vind. Ik zou het eigenlijk liefst zo snel mogelijk veranderd willen zien.
Wat mensen je soms al eens zouden zeggen als je klaagt over single zijn, is dat je er maar het beste van moet maken. Doe toch gewoon wat leuke dingen en zorg voor jezelf.
Op zich is dit goed advies, maar het komt bij mij op die manier niet echt binnen. Het is alsof het probleem hier nog niet voldoende omgedacht is. Het lijkt eerder een afleiding van het probleem: je wordt aangeraden om je op jezelf te focussen, maar een echte nieuwe mogelijkheid of kans wordt hier nog niet gecreëerd.
Maar plots maakte ik de klik wel. Wat ik doe tot ik een nieuwe relatie vind, is op zich belangrijk, maar bepaalt ook de kans dat ik die nieuwe relatie vind in de eerste plaats.
Hoe meer leuke dingen ik doe, hoe meer boeken ik lees, hoe meer muziek ik schrijf, hoe interessanter en leuker ik zal zijn op mijn volgende date. Het probleem is nu wel volledig 'omgedacht': de periode van single zijn, hoe onaangenaam ze soms ook is, wordt nu een kans, een mogelijkheid. Niet alleen voor zelfontwikkeling, maar ook om een oplossing op het probleem (van single zijn) waarschijnlijker te maken.
In tegenstelling tot wat de auteur misschien zelf zou zeggen, is omdenken geen antwoord op elk probleem. Tegen iemand die kanker heeft of momenteel in Gaza woont ga je ook niet zeggen dat hij zijn probleem moet 'omdenken'. Toch is het 'omdenken' een stukje levenskunst dat een overweging waard is.
De Basisverzen van het middenpad van Nagarjuna: boekbespreking
Vorige zomer schafte ik een exemplaar aan van Michiel Leezenbergs Nederlandse vertaling van de klassieke boeddhistische filosofische tekst Basisverzen van het middenpad door Nagarjuna (circa 150-circa 250). Ik stopte het boek in een zak met m'n boodschappen, waar een fles zeep bij zat.
Toen ik ontdekte dat deze fles zeep uitgelopen was over het gloednieuwe boek, was ik eerst natuurlijk nogal boos hierover. Nadat ik de zeep wat opgepoetst had en het boek opgedroogd had, zag het er meteen uit als een oud tweedehands exemplaar, hoewel het boek toen pas verschenen was.
Al snel kon ik deze onverwachtse wending echter appreciëren. Het was alsof het boek tegen mij zei: 'neem mij niet te serieus, ik ben maar een boek. Het gaat om de wijsheid in mij, niet om de woorden.'
Dat het niet om de woorden en de gedachten gaat, maar om het leven zelf, dat zou meteen ook een inzicht kunnen zijn dat we uit de Basisverzen zouden kunnen halen.
De nieuwe Nederlandse vertaling door Leezenberg (Boom uitgeverij) is voorzien van een uitvoerige inleiding en commentaren die deze tekst een stuk inzichtelijker maken. In deze boekbespreking citeer ik uit Leezenbergs vertaling.
Van de Basisverzen zou men kunnen zeggen dat de eerste en de laatste verzen het inzicht ervan samenvatten, en dat het midden van het werk een verdere uiteenzetting en argumentatie daarvan is.
De eerste vers luidt:
Niet uit zichzelf of uit iets anders, niet uit beide en niet zonder oorzaak: Nergens zijn überhaupt entiteiten voorhanden die zijn ontstaan.
Terwijl de laatste vers van het overgeleverde werk als volgt gaat:
Ik buig voor Gautama Boeddha, die gedreven door medelijden
De ware leer heeft onderwezen van het loslaten van alle dogma's.
Ietwat vereenvoudigd kan men zeggen dat de eerste vers Nagarjuna's inzicht in leegte (śūnyatā) meedeelt terwijl de laatste vers het doel daarvan (medelijden) weergeeft.
Śūnyatā
Het eerste vers is een van de vele uit de Basisverzen die het concept van leegte (śūnyatā) weergeeft. In het mahayanaboeddhisme (de traditie waarin Nagarjuna te situeren is) is śūnyatā een eigenschap van alle dingen. Anders gezegd, volgens het mahayanaboeddhisme is alles leeg.
Vaak wordt śūnyatā uitgelegd aan de hand van het gelijkaardige boeddhistische concept 'onstaan in afhankelijkheid' (pratītyasamutpāda). Dit laatste betekent dat niets 'op zichzelf' bestaat (svabhava), maar dat alles ontstaat uit of door iets anders.
In de eerste vers van de Basisverzen gaat Nagarjuna echter nog verder. Daar schrijft hij dat dingen noch uit zichzelf, noch uit iets anders, noch uit zichzelf én iets anders, noch uit niets zijn ontstaan. Elk van de vier opties (het tetralemma) wordt ontkend.
In het laatste vers van hoofdstuk 25, het laatste algemeen als authentiek erkende hoofdstuk van de Basisverzen, schrijft Nagarjuna een al even enigmatische zin:
Nergens is voor wie dan ook enige leer door de Boeddha onderwezen.
Medelijden
Ik moet toegeven dat het mij enige tijd heeft gekost om de Basisverzen ten volle te appreciëren. De tekst is moeilijk en tegenstrijdig, soms op het komische af.
Hoe moeten we echter, zoals ook Leezenberg zich afvraagt in zijn inleiding (p. 43), medelijden of verlichting halen uit de Basisverzen? Leezenberg geeft alvast een hint: de Basisverzen zouden kunnen bedoeld zijn om de lezers 'uit hun gangbare manieren van denken' los te maken. Maar hoe moet dit tot leiden tot verlichting en medelijden?
Dit werd me voor het eerst duidelijk toen ik naar de wolken keek (ik vind wolken bijzonder fascinerend) kort na het uitlezen van dit boek.
Van op een grote afstand lijken wolken vaak gigantisch en zwaar. Als we echter naar de wolk zouden gaan, dan zien we slechts mist. We kunnen de wolk niet vastpakken. Keren we echter terug naar de grond, dan zien we de wolk weer opnieuw.
Eindelijk voelde ik me alsof ik snapte wat Nagarjuna bedoelde: onze opvattingen over de wereld zijn net als die wolken. Als we ons eraan proberen vast te klampen, dan zijn we net als piloten die naar een wolk vliegen in de hoop om hem te kunnen vastpakken.
Hieruit volgt echter niet dat wolken niet bestaan of er niet toe doen. Ze kunnen het verschil maken tussen een zonnige en een regenachtige dag. En als er te veel wolken zijn, dan zien we de zon niet meer, net zoals een overdaad aan denken de realiteit onzichtbaar kan maken. Hoe dan ook is het zinloos om je proberen vast te klampen aan die wolken.
Nagarjuna als poetshulp
Volgens de cognitieve gedragstherapie, de norm voor psychotherapie tegenwoordig, moeten slechte gedachten vervangen moeten worden door goede. Het doel van de therapie is dan om deze vervanging te doen gebeuren.
Wat als het echter nog effectiever is om het aantal gedachten gewoonweg te verminderen? Onze geest kan ongemerkt worden als een zolder 'volgepropt met oude rommel', zoals Jon Kabat-Zinn ooit schreef. Nagarjuna is dan als het ware onze poetshulp die helpt om deze zolder op te ruimen om weer lichter door het leven te gaan.
De gedachten die dan nog overblijven, zullen we dan minder hard vasthouden.
Wie gedachten minder hardt vasthoudt, wordt er ook minder door tegengehouden. Zo'n persoon heeft zijn handen letterlijk en figuurlijk vrij en zal zo beter in staat zijn de juiste actie te ondernemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Nagarjuna ook andere teksten (zoals de Kostbare Krans) schreef waarin hij adviseerde om juist te handelen (p. 39 in Leezenbergs inleiding).
Als iemand zoiets naar je zou roepen, dan is dit niet bepaald positief bedoeld.
Toch onderschatten we hoe volwassener worden ons gelukkiger zou kunnen maken. Wat bedoel ik daar nu mee?
In de zelfhulpliteratuur vinden we allerlei suggesties over hoe je je leven beter zou kunnen maken.
Leer jezelf goede gewoonten aan, wees dankbaar, wees positief, trek je niet te veel van de meningen van anderen aan, wees in het hier en nu, heb vertrouwen, vergroot je focus, geef niet op, ...
Op zich allemaal wel goede adviezen. Als we ze echter beschouwen als een losse verzameling tips en ideëen, dan is het wel een stuk moeilijker om ze in de praktijk te brengen. Het zou handig zijn als we alle zelfhulpadviezen zouden kunnen bundelen onder één algemener thema.
Volgens mij is er zo'n thema: volwassen(er) worden.
Alle dingen die je volgens zelfhulpboeken zou moeten doen om gelukkiger te worden, zijn namelijk dingen die we associëren met volwassenheid.
Onze eigen onvolwassenheid opmerken
De jeugd van tegenwoordig. Het klagen over de gebreken van kinderen en jongeren is zo oud als de straat. Het is echter veel interessanter om te kijken hoe bepaalde kinderlijke of puberale eigenschappen nog steeds (in een bepaalde vorm) ons leven mee bepalen.
We doen namelijk (zo leert ook de psychoanalyse ons) doorheen onze kindertijd, puberteit en adolescentie vaak relatief ongemerkt allerlei neigingen, obsessies, fobieën en neurosen op die dan blijven hangen in de volwassenheid. Volwassen worden betekent dat we dit vaak subtiele leed serieus nemen en ons er vrij van maken.
Volgens mij zijn er twee typische kenmerken van hedendaagse jongeren die we vooral moeten zien als een uitnodiging om aan onszelf te werken in plaats van met een vingertje te wijzen naar de jongeren. Wellicht zijn er nog meer, maar zelf vond ik deze twee.
Te veel geven om de mening van anderen
Jongeren, en dan zeker pubers, zijn veel bezig met hun imago, met wat anderen van hun vinden, met hoe populair ze zijn op school en onder hun vrienden. Vaak wordt gedacht dat dat nu eenmaal bij de leeftijd hoort, al vermoed ik dat het instituut school hier een minstens even grote oorzaak van is.
Op school zit je namelijk samen met grote groepen leeftijdsgenoten, wat als vanzelf aanleiding geeft tot het overmatig bezig zijn met het eigen imago.
Het is normaal en gezond om belang te hechten aan de mening van mensen die belangrijk voor je zijn. Iemand die zich letterlijk van niemands opinie zou aantrekken, kan geen relaties hebben, leeft als een Diogenes in de ton.
Maar hoe vaak storen we ons niet aan de mening van collega's, kennissen, een nare opmerking van een wildvreemde zelfs? Als dat gebeurt, dan zijn we eigenlijk bijna even hard met ons imago bezig als een puber die naarstig naar likes vist op sociale media. Volwassener, en dus ook gelukkiger worden, betekent dan dat we ons niet zo veel meer aantrekken van de meningen van mensen die toch geen zo'n belangrijke rol spelen in onze levens.
Gemakzucht en smartphoneverslaving
Kinderen en jongeren vandaag de dag hebben meer schermtijd dan ooit.
Maar geldt dit niet evenzeer voor volwassenen?
Hoe vaak grijpen we niet, wanneer we even niets te doen hebben, bijna reflexmatig naar de smartphone om even onze sociale media te checken of het nieuws te lezen?
Onze schermtijd is dan misschien niet zo buitensporig als die van veel jongeren, toch is ze wellicht veel groter dan we zouden willen.
Is veel schermtijd slecht? Dat hangt er maar van af wat je ambities en doelen zijn. De meeste mensen onderschatten volgens mij hoeveel meer ze zouden kunnen doen en bereiken door hun schermtijd zelfs maar bescheiden te verkleinen.
Als we ervoor kiezen om niet elke keer dat we niets te doen hebben onze smartphone te nemen, dan lukt het waarschijnlijk veel sneller om eindelijk die stapel boeken daar te lezen. Eindelijk dat boek te schrijven. Of dat lied. Eindelijk die nieuwe hobby aan te leren.
Dat soort dromen en ambities stellen we, met de smartphone in de hand, vaak uit met dezelfde gemakzucht waarmee we als tieners huiswerk uitstelden tot de avond voor de deadline. Opnieuw is hier een kans om volwassener en zo ook gelukkiger te worden. We doen iets aan onze gemakzucht, verkleinen onze schermtijd en halen zo veel meer uit onze dagen.