Gerechtvaardigd door het geloof alleen
Overdenking over Romeinen 1:16-21 ter gelegenheid van de herdenking van de Kerkhervorming
Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther vijfennegentig stellingen aan op de deur van de slotkapel in Wittenberg, Duitsland. Hij maakte bezwaar tegen de praktijk van de aflaat: tegen betaling kon iemand kwijtschelding krijgen van de tijdelijke straffen, die de kerk hem of haar had opgelegd als boetedoening voor bepaalde zonden. Dit werd soms ook zo begrepen, dat men tegen betaling vergeving van zonden kreeg.
Maar niet alleen tegen de aflaat protesteerde Luther: ook tegen de verering van Maria en de heiligen, tegen de verwereldlijking van paus en priesters, tegen de rijkdom van de kerk en talloze andere misstanden. Het was hem een doorn in het oog, dat de Bijbel niet meer in het centrum stond. Het was hem een doorn in het oog, dat de kerk leerde, dat je door je goede werken zalig kon worden.
Luther zelf ook worstelde met het geloof. Hij was een diep denker. Hij stelde zich de vraag: “Hoe krijg ik een genadig God in de hemel? Is God mij genadig, omdat ik goede werken doe? Of schiet ik toch nog te kort?”
In het klooster dacht Luther diep na over deze dingen. Hij las en hij las. Hij las ook de Bijbel. Hij las ook de brief van Paulus aan de Romeinen. Hij las ook onze tekst van vanavond: Romeinen 1:17: “In het evangelie openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt”. Er ging Luther een licht op. Hij onderstreepte voor zichzelf de woorden “enkel en alleen wie gelooft”. Dus niet door mijn werken word ik zalig, dacht hij. Ik moet natuurlijk het goede doen. Ik moet God en mens dienen. Ik moet me houden aan Gods geboden. Maar ik ben een mens, een zondig mens. Ik heb fouten en dat moet ik erkennen. Maar gelukkig is God mij genadig. Hij neemt mij in genade aan als ik geloof.
Dit heeft Luther gevonden in de brief van Paulus. En hij las natuurlijk nog meer van Paulus. Hij las ook de context van die woorden: Paulus bedoelde: als ik geloof, dat Jezus Christus in mijn plaats gestorven is aan het kruis, word ik gerechtvaardigd. Dan spreekt God mij vrij, dan mag ik Hem recht in de ogen kijken.
Het volgende beeld gebruikt Paulus vaak: Wij zijn in de rechtbank. God is onze rechter en wij moeten ons voor Hem verantwoorden vanwege onze overtredingen. Hij zou ons moeten veroordelen, zelfs ons ter dood veroordelen, maar dat wil Hij niet. Hij wil, dat we leven. In het rechtsgeding tussen God en ons is er nog een derde. Hij treedt op als onze Advocaat. Het is Jezus Christus. Hij komt naar voren. Hij zegt tegen God de Rechter: “Spreek deze mens vrij. Want Ik heb al voor zijn schuld betaald, toen ik stierf aan het kruis. Ik deed dat in zijn plaats”. En wat doet God de rechter dan? Hij strijkt met zijn hand over zijn hart. Hij betoont Zich genadig. Hij spreekt ons vrij.
Wat gebeurt hier? Wij, zondaars, worden gered. Gered waarvan? Van de toorn van God. Nu is toorn een ouderwets woord. Het betekent zoveel als: woede, boosheid.
We kunnen ook zeggen: “We worden gereinigd door het bloed van Christus”. Talloze mogelijkheden zijn er om dit alles onder woorden te brengen. In onze liederen zingen we er vaak van. Het is me opgevallen, dat in de liederen in Kantika di Fe i Alabansa veel wordt gezongen over het bloed van Christus, dat reinigt van de zonde. We worden door Christus gered.” Mi ta salbá di pikánan dor di Hesu Kristu. E sanger di Hesu Kristu ta purifiká-nos di nos pikánan”.
We lezen in zijn Romeinenbrief, dat Paulus is geroepen om dit evangelie te brengen aan de volken. Hij schaamt zich niet voor dat evangelie. Wij hebben niet altijd de vrijmoedigheid te spreken over ons geloof. We voelen een zekere terughoudendheid. Paulus niet. Waarom niet? Hij weet, dat het in het evangelie gaat over redding. Het evangelie is als het ware een reddingsboei voor drenkelingen. “Het is een reddende kracht voor allen, die geloven”, zegt Paulus. En dan haalt hij een vers aan uit de profetie van Habakuk: “De rechtvaardige zal leven door geloof”. Ook Paulus onderstreept in gedachten de woorden “door geloof”. Hij bouwt voort op de woorden van de profeet. En dat heeft Luther begrepen.
Het maakte veel in Luther los. Hij had een tomeloze energie. Hij wilde de kerk van binnenuit hervormen. “Terug naar de Schriften”, was zijn motto. De Bijbel moet weer in het centrum staan van ons leven.
Dat geldt ook voor ons. We mogen leven met een opengeslagen Bijbel. We mogen leven vanuit Gods Woord, als gelovige, als kerk. Daarom zijn het geloofsgesprek en Bijbelstudie zo belangrijk. En dan ontdekken we, dat God een genadig God is. Hij roept ons en wij mogen komen. De weg is geopend door Jezus Christus. Door Hem mogen we in verbinding staan met de hemelse Vader. Door Hem mogen we leven!