Om antwoorden te krijgen op onze onderzoeksvragen hebben wij vier interviews uitgevoerd binnen België. 1 spoedarts, 1 spoedverpleegkundige en 2 medewerkers van de sociale dienst werden geïnterviewd. Uit deze interviews hebben we belangrijke informatie gehaald die we hieronder zullen bespreken. Het is wel belangrijk om te weten dat deze resultaten niet altijd te veralgemenen zijn naar alle ziekenhuizen, aangezien we maar 4 interviews hebben uitgevoerd. Er zijn drie ziekenhuizen betrokken in het onderzoek, voor de anonimiteit noemen we ze ziekenhuis (ZH) A, B en C. We vermelden geen namen van de geïnterviewden, maar wel hun beroep.
Voorkomen fysieke kindermishandeling op de spoeddienst
Alle geïnterviewden geven aan dat ze reeds te maken hebben gehad met fysieke mishandeling van jonge kinderen op de spoeddienst. In het ene ziekenhuis komt dit frequenter voor dan het andere. 1 ziekenhuis gaf aan dat zij als referentiepunt in de omgeving worden gezien wat betreft kennis rond kindermishandeling en daardoor meer gevallen zien op een jaar. Wat opvalt, is dat men vaak geen concrete cijfers kan geven van het aantal gevallen per jaar.
“ Het is moeilijk om te zeggen, er gebeurt soms 2 keer in de maand, soms meerdere keren in het jaar” (spoedverpleegkundige ZH B)
De geïnterviewden geven aan dat spreken over kindermishandeling niet gemakkelijk is. Ze vinden het vaak moeilijk om het gesprek aan te gaan met de betrokkenen.
Een ander taboe heerst onder hulpverleners. Zij vinden het moeilijk om een vermoeden van kindermishandeling uit te spreken, omdat zij bang zijn een verkeerde inschatting te maken.
“Ook met ouders bespreken vind ik altijd moeilijk, want je weet nooit op voorhand hoe de ouders zullen reageren. Sommigen zullen blij zijn dat er hulporganisaties zijn, maar de andere ontkennen gewoon de situaties en ze zijn defensiever. Ik vind het moeilijk om in te schatten of het echt een vermoeden van kindermishandeling is of niet”. (sociaal werker ZH B)
Procedures en protocollen binnen het ziekenhuis
Elk ziekenhuis heeft zijn eigen protocollen en procedures wanneer er een vermoeden van fysieke mishandeling van kinderen is binnen de spoeddienst. Vaak volgt er dan een medisch onderzoek en daarnaast wordt er ook gerapporteerd aan verschillende teamleden. Hoe het team eruit ziet is voor elk ziekenhuis anders. Zo kan het dat in het ene ziekenhuis de sociale dienst sneller ingeschakeld wordt, dan het andere ziekenhuis. Het ene ziekenhuis werkt met een forensische arts, het andere met een vertrouwensarts of met een team intrafamiliaal geweld.
Eén medewerker van een ziekenhuis sprak over ‘Kindreflex’. Dit is een stappenplan voor ziekenhuizen en specifieker de spoeddiensten om in gesprek te gaan met ouders over ouderschap en zo verontrustende thuissituaties te detecteren. Zo kan ook kindermishandeling ter sprake komen. Dit is nog in opbouw en zou binnenkort verschijnen voor alle spoeddiensten in Vlaanderen.
“We leiden onze hulverleners op om kinderreflex te hebben en daarnaast verwachten we dat de overheid een meer globale aanpak uitwerkt. Belangrijk om te weten is wie er gecontacteerd kan worden, waar je kan signaleren, maar dat er dan ook iemand gespecialiseerd is die in de diepte kan gaan en een bevraging kan doen.” (spoedverpleegkundige ZH B)
Samenwerking met interne en externe diensten
Wanneer casussen rond kindermishandeling voor komen op de spoeddienst, dan valt het op dat de teams het belang van kind voorop stellen. Er wordt dan heel vaak samengewerkt met externe en interne diensten.
Belangrijke interne samenwerkingen zijn tussen de spoeddienst, de pediatrie en de sociale dienst. Daar is het opmerkelijk dat men probeert de situatie van het kind in een ruimer kader te plaatsen en bijvoorbeeld een anamnese uit te voeren.
‘Als we worden gecontacteerd door de kinderarts bij het vermoeden van fysieke kindermishandeling dan komen we om te praten over wat aan de hand is, zo kunnen we als sociale dienst ons voorbereiden om met de ouders in gesprek te gaan. We hebben een continue samenwerking en een sterke uitwisseling van informatie met multidisciplinaire team.’ (sociaal werker ZH C)
Voor externe samenwerkingen is het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling de eerste belangrijke partner waarmee men vermoedens gaat bespreken of waarbij men meldingen gaat doen. Ziekenhuizen leggen de opvolging van casussen rond mishandeling vaak in hun handen.
“Als er een vermoeden is van kindermishandeling binnen het gezin uit, dan kiezen we voor veiligheid van het kind. Er gebeurt dan altijd een melding bij het VK. Er wordt dan telefonisch contact opgenomen. Het vertrouwenscentrum is vrijwillige hulpverlening: ouders worden gecontacteerd en gaan langs voor een gesprek. Dan gaat het vertrouwenscentrum kijken op welke manier ze kunnen helpen: toezicht aan huis, crisisdienst inschakelen, andere zaken om te proberen problemen binnen thuissituatie te helpen of een veilige thuis voor de kinderen te zoeken. Dat is vrijwillig.” (Spoedarts, ZH A)
Wanneer er echter een extreem geval van mishandeling is, dan gaat men heel snel het parket of de politie erbij halen.
“Het kan dan zijn dat een kind heel duidelijk mishandeld is en dat de stap meteen naar parket gezet wordt. Op dat moment wordt er ook een forensische arts aangesteld die het kind samen met pediater onderzoekt en officiële vaststellingen doet en een officieel dossier opmaakt.” (spoedarts, ZH A)
Opleiding en expertise-ontwikkeling rond het thema kindermishandeling varieert sterk tussen de geïnterviewden. Zo was er één arts die heel wat opleiding had gekregen en ook zijn collega’s van opleiding voorzag, terwijl andere geïnterviewden aangaven dat kennis over het onderwerp soms heel beperkt is en verder opgebouwd moet worden.
“Elk jaar is er een opleiding voor alle medewerkers van spoedgevallen: alle verpleegkundigen, maar ook de mensen die aan de triage zitten worden opgeleid. Ik geef dan de opleiding aan hen. Er wordt gewezen waarop gelet moet worden. Zo is er een verhoogde waakzaamheid.” (Spoedarts, ZH A)
“In de opleiding wordt dat wel benoemd, in de lessen urgentie en pediatrie, maar dat is een klein onderdeel. Dat is een niche. We leiden onze hulverleners op om kinderreflex te hebben en daarnaast verwachten we dat de overheid een meer globale aanpak uitwerkt.” (spoedverpleegkundige, ZH B)
Samenwerking met sociale dienst/sociaal werker
Elke spoeddienst kan rekenen op iemand van de sociale dienst om mee samen te werken. Vaak worden sociaal werkers ingezet om enerzijds het gesprek aan te gaan rond de vermoedens of om verdere ondersteuning te bieden aan het kind en zijn netwerk. Ze bekijken de casus zo breed mogelijk en verkennen eventuele andere moeilijkheden zodat er hulp verleend kan worden en de band tussen ouder en kind niet verbroken moet worden.
“De spoed contacteert de sociale dienst, we doen een anamnese bij de familie, anamneses is een soort onderzoek waar alle info van de patiënt in een dossier zit.” ( sociaal werker, ZH B)
De twee sociaal werkers die wij interviewden gaven allebei aan dat het heel belangrijk is dat hun dienst altijd betrokken wordt bij casussen over het thema omwille van hun specifieke invalshoek.
Een sociaal werker gaf hierbij nog een belangrijke tip om het gesprek goed aan te gaan:
“Ik vind veiligheid en vertrouwen super belangrijk bij dit thema. Voldoende tijd besteden bij elke situatie. Het is de bedoeling dat de ouder zich veilig voelt om juiste ondersteuning te krijgen maar dat vraagt ook tijd” (sociaal werker, ZH C)