Gerolschaatst. Op mijn kont gevallen. Opgestaan.
Ik heb er madeliefjes geplukt, gras geroken, de koude tegels gevoeld.
Ik heb schoenen aangehad en sandalen.
Rokken, jurkjes blauw met wit. Spijkerbroeken.
Korte haren, lange haren, blond, paars, zwart.
Iedere steen is van mij, maar ik weet niet hoe de linkse straat op het plein heet als de mevrouw in de auto vraagt waar de Germanenstraat is. Ik weet dat de straat in de buurt ligt, maar alle namen lijken hier op elkaar.
Ik ken het huis van mijn moeder en mijn huis. Ik kan de mevrouw in de auto niet helpen als haar Tom-Tom kapot is. Ik schaam me als ze ziet dat ik hier om de hoek woon, omdat ik mijn fiets in de schuur zet.
Ik ken alle stenen, de wegen, de mensen en hun dingen, maar ik weet niet hoe de straat precies ligt. Ze wijst op het bordje en ik zeg: ‘Ja, die straat ligt daar en daar’, terwijl mijn vinger wijst.
Ik weet niet of ik het echt goed heb, hoe de straat nou echt heet en waar de oneven huizen staan.
Ik zal maar geen kaartlezer worden. Het is toch een uitstervend beroep.