Betekenis in een tweede fase
Je kan een ding jouw teken geven. Dat gaat niet per ongeluk. Het is geen beschadiging, maar een merk. Het teken is vooral teken van bewustzijn.
Een merk staat gegrift in het ding. Het betekent heel direct dit ding.
Maar veel van onze tekeningen betekenen meer dan hun drager. De betekenisdrager wordt reeds overstegen wanneer het teken als embleem naar de betekenisgever verwijst. Ik druk mijn stempel. Al wil ik daarmee deze huid eigen maken, ik introduceer wat vreemd was aan de huid -mijzelf- aan de huid.
De tekening van het ding representeert mijzelf als eigenaar van het ding. Zelfs als je alleen de drager wilt opmerken, trek je een spoor. Zelfs in de benoeming van het ding, zonder enige claim, resoneert impliciet jouw naam mee, omdat de betekenis van zowel drager als gever afhankelijk is.
De markering vestigt weliswaar onze aandacht op het ding, maar het verraadt daarmee toch altijd ook onze aanwezigheid daarbij.
Je geeft een kind een eigennaam: de voornaam. Je geeft een kind ook de naam van jouzelf: de achternaam. De volle naam betekent het individu en de gemeenschap. De achternaam is niet vreemd aan het kind, maar toch verwijst deze naam naar meer dan alleen het kind. Het tekent een relatie van toebehoren. Het kan nog scherper: je geeft een slaaf een eigen voornaam, maar tevens jouw achternaam, niet om hem op te nemen in de familie, maar als oormerk. In dit geval verwijst de achternaam eigenlijk alleen naar jou als eigenaar.
De volgende stap kan worden gezet door de vaandeldrager. Wie dit wapen draagt maakt niet veel uit. Als de drager maar sterk genoeg is. Het gaat enkel om de representatie. Hier loopt het leger van de Nacht of juist dat van de Dag. De betekenisdrager is hier niet alleen ondergeschikt aan de betekenisgever. De drager is volkomen in functie van de gever. De vaandeldrager offert zich op voor het vaandel: enkel om dat hoog te houden is hij bereidt het leven te laten.
Pas als de vlag wordt geplant is we weer werkelijk een drager van betekenis: het veroverde land.
De meeste tekeningen werken weinig anders dan als vaandeldragers. Ze staan voor iets anders dan zichzelf. Het meest opvallend in dit opzicht zijn juist de afbeeldingen: de tekeningen die door gelijkenis verwijzen. Je tekent een boom. De aanvankelijke belangstelling gaat dan volledig uit naar een concrete boom of misschien naar het wezenlijke aan bomen, maar niet naar de getekende boom. Een ongeoefend tekenaar kan zich mateloos ergeren aan de tekening die maar niet achter de gelijkenis met het onderwerp wil wegvallen. Driftig tekent hij alsof hij de tekening als zodanig tracht uit te gummen.
De tekening anders dan als pure afbeelding kan inderdaad opvallen precies als tekening. Als het beeld de aandacht naar zichzelf trekt, zichzelf als beeld aan ons opdringt en dus niet geheel als afbeelding werkt, dan stoort het ons eerder in onze betrekking tot wat is afgebeeld dan dat het ons daartoe naderbij brengt. Het beeld problematiseert datgene waarvan het beeld is. Het beeld kan ongewone zienswijzen introduceren en ons daarmee soms ook in positieve zin verrijken. Zo wordt een tekening artistiek.
De tekening is uiteraard nooit gelijk aan het voorwerp. Maar juist in die wereld van het verschil worden benaderingen pas goed mogelijk. De kunstenaars weten dit in hun werk. Uitvergroting en weglating zijn eerder regels dan verboden om betekenisvol werk af te leveren.
Wij leren dankzij de beelden misschien ook pas dat wij altijd al met verbeelding om ons heen kijken en dingen zien. Beelden objectiveren onze perspectieven wellicht meer dan dat zij iets vastleggen van de dingen zelf.










