‘Shrooms
Peter Solarz
🪼
cherry valley forever
Cosimo Galluzzi
he wasn't even looking at me and he found me
AnasAbdin
Jules of Nature

blake kathryn

titsay
Monterey Bay Aquarium
we're not kids anymore.
trying on a metaphor
noise dept.

No title available
I'd rather be in outer space 🛸
i don't do bad sauce passes

#extradirty
h

roma★
Lint Roller? I Barely Know Her

seen from United Kingdom
seen from United States
seen from Germany
seen from Türkiye

seen from United States

seen from United Kingdom
seen from United States

seen from Canada
seen from Canada

seen from Italy
seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from Poland
seen from United Kingdom
seen from Poland
seen from United States
seen from United States
@biologiaap
‘Shrooms
Happy Darwin Day! Today would have been Charles Darwin’s 205th birthday. Naturalist Charles Darwin (1809–1882) first noticed the evidence for natural selection while visiting the Galapagos Islands in 1835. On these isolated islands, Darwin found finches that resembled those living on the South American continent, some 1,300 kilometers away. But the Galapagos finches, he realized, showed a range of beak sizes that corresponded to the food sources available where they lived. Darwin concluded that these birds originated from a single species that migrated from the mainland millions of years ago. Since birds faced distinct challenges depending on where they settled, finches with different traits survived in different locations. Through the process of natural selection, the bird populations eventually split into many species, which still retaining common characteristics. Since his publication of On the Origin of Species, the principles of evolutionary biology have become integral to fields as diverse as medicine, agriculture, genetic engineering, and epidemiology. Outside the life sciences, evolutionary concepts have informed economics, cultural studies, urban planning, and even forms of popular culture like video game design. The very idea of evolutionary change over time has become ingrained across the public imagination. Thanks, and happy birthday Charles! More on Natural Selection http://www.exploratorium.edu/origins/belize-london/ideas/evolution.html
via biomorphosis:
Maratus volans, better known as the Peacock Spider. The brilliant colouring is not just for decoration but also to attract females. The peacock spider has earned its name when he courts with his mate through dancing. Like a peacock, he raises his two magnificently coloured flaps and dances for the female.
These fuzzy little guys, some just a few millimeters in length, have intricate, species-specific dance moves. Not only are they likely displaying their health and vigor to potential mates, but they are also reminding females that they are the same species, so, like “please don’t eat me, hun!”
If you want to learn more about this arachnid tango, head over to Wired and read all about it. If you’d really want to dig in to the science of peacock spider dancing, including the sounds that go along with this eight-legged twerking display, here’s an open-access paper at PLOS One.
Pioneering scientific illustrations by Irving Geis, born on this day in 1908.
Candace Couse, Waste
The Human Body: What It Is and How It Works, in Vibrant Vintage Illustrations circa 1959
by Maria Popova
Much of our inquiry into what makes us humanfocuses on understanding consciousness, yet we spend the whole of our lives in our physical bodies. As a lover of anatomical art and vintage science illustration, I was instantly enamored with The Human Body: What It Is And How It Works — a stunning vintage anatomy book, depicting and explaining in more than 200 vibrant mid-century illustrations the inner workings of the body. Originally published in 1959, this colorful gem was inspired by German artist and researcher Fritz Kahn, who in his 1926 classic Man as Industrial Palacedescribed the human body as “the highest performance machine in the world” and used industrial metaphors to illustrate its remarkable capacities.
From the nine systems of the body — skeletal, muscle, nervous, digestive, respiratory, circulatory, lymphatic, endocrine, and reproductive — to the intricacies of the different organs and senses, the tantalizing tome demonstrates, in delightfully illustrated detail, just how magnificent our physical complexity is.
The introduction traces the history of our modern understanding of the body:
Almost nothing, it seems, could be more important to man than the human body. It is the solid part of “I”; it is with us as long as we live. Yet thousands and thousands of years passed before man really learned about this physical part of himself.
Among the ancients, health was something given by the gods. If you had an accident or got sick, it was because you had displeased the gods, or a demon had entered your body. The demon had to be eliminated, the gods made happy, before you could get well. Breathing and digestion, the circulation of blood, the working of the brain — these functions that kept a human being alive and active were not understood. The few real facts that were known were badly mixed up with superstition.
For more on the pictorial history of how we understand the body, see The Art of Medicine: Over 2,000 Years of Images and Imagination from the Wellcome Collection and Hidden Treasure from The National Library of Medicine.
(source)
Het zenuwstelsel is het orgaansysteem dat bij dieren een coördinerende rol speelt bij alle handelingen, zoals het aansturen van de spieren, het verwerken van zintuigelijke prikkels en (bij hogere diersoorten) de emotionele en cognitieve processen. Het zenuwstelsel bestaat uit zenuwweefsel van zenuwcellen en gliacellen. De complexiteit van het zenuwstelsel loopt uiteen van zeer eenvoudig voor de laagste diersoorten tot hoog ontwikkeld voor de hogere diersoorten en de mens.
Gewervelde dieren hebben het hoogst ontwikkelde zenuwstelsel dat zeer sterk gecentraliseerd is. Het centrale zenuwstelsel, bestaande uit hersenen en ruggenmerg, ligt goed beschermd in een benig omhulsel. Het bestuurt een groot deel van de functies van zenuwstelsel en spieren. Het daarbuiten gelegen deel noemt men het perifere zenuwstelsel. Functioneel onderscheidt men ook het autonome zenuwstelsel dat deel uitmaakt van het perifere stelsel, en het animale zenuwstelsel dat bestaat uit het centrale zenuwstelsel en het somatische deel van het perifere. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de grote hersenen, de kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg. Het perifere zenuwstelsel bestaat uit zenuwen. De zenuwen verbinden het centrale zenuwstelsel met alle delen van het lichaam.
Het zenuwstelsel bestaat uit cellen: zenuwcellen en gliacellen. Elke zenuwcel is opgebouwd uit een cellichaam en uitlopers (axonen en dendrieten). Door deze uitlopers worden pulsen voortgeleid. Bij bepaalde zenuwcellen zijn de uitlopers omgeven door een myelineschede of mergschede die geen elektrische stroom geleidt. Tussen 2 stukken myelineschede ligt de insnoering van Ranvier die geen myeline bevat. Door deze onderbrekingen in de myelineschede kan de elektrische puls van insnoering naar insnoering springen wat een grote snelheidswinst oplevert.
Er bestaan drie typen zenuwcellen: sensorische zenuwcellen, motorische zenuwcellen en schakelcellen. Sensorische zenuwcellen innerveren, zoals de naam al zegt, de sensorische waarneming van het lichaam. Dus de impulsoverdracht vanuit zintuigcellen in de huid naar het centraal zenuwstelsel. De motorische zenuwcellen innerveren de motoriek: de impulsoverdracht vanaf het denken (de grote hersenen) naar spieren en/of klieren. Alle impulsen in het centraal zenuwstelsel worden voortgebracht door schakelcellen die in hun geheel in het centraal zenuwstelsel bevinden. De functie van de gliacellen is ondersteuning en verzorging van de zenuwcellen.
Het maag-darmstelsel, digestieve systeem of gastro-intestinale stelsel (la: tractus digestivus) is het systeem dat instaat voor de vertering en opname van voedingsstoffen voor het lichaam.
Vertering wordt gedaan door verschillende organen in het lichaam, waaronder de maag, de darmen, de lever en de alvleesklier. De meeste voedingsstoffen in de voeding kunnen niet als zodanig in het lichaam worden opgenomen. Het spijsverteringsstelsel heeft de volgende taken:
Opname van voedsel
Mechanische verkleining van de voedselbrokken (kauwen en kneden)
Chemische verkleining onder invloed van enzymen (vertering)
Transport van de voedselbrij door het spijsverteringskanaal (slikken en peristaltiek)
Kneden en mengen van het voedsel (peristaltiek)
Overdracht van de voedingsstoffen aan het bloed (resorptie)
Uitscheiden van afvalstoffen door de lever in de darm
Afgeven van niet-verteerde resten (ontlasting)
Het duodenum, de nuchtere darm en kronkeldarm vormen samen de dunne darm die bij de mens zes tot zeven meter lang kan zijn. Aansluitend hierop begint de dikke darm. Deze begint met de blindedarm en eindigt bij de endeldarm. De blindedarm is een kort 'doodlopend' stuk dat eindigt met een wormvormig aanhangsel, ook wel appendix genoemd. Appendicitis is een ontsteking van dit aanhangsel. Foutief spreken mensen vaak van blindedarmontsteking.
De functie van de darm is het verteren en opnemen van voedingsstoffen. Eerst gebeurt er een verteringsproces dat reeds in de mond begint. Lichaamssappen vanuit verschillende organen komen terecht in de darm om het verteringsproces op gang te brengen. De verteerde voedingsstoffen kunnen vervolgens door de darmwand heen in het bloed worden opgenomen.
De lever scheidt stoffen uit via de gal in de darm. Deze afvalstoffen verlaten met de ontlasting het lichaam.
De darm heeft een peristaltiek. Dit is een knijpende voortbeweging die ervoor zorgt dat het voedsel vooruitkomt in de darm. Indien deze peristaltiek te hevig is, kan dat resulteren in diarree.
In de darmholte leven veel bacteriën (darmflora) die meehelpen met de voedselvertering door stoffen af te breken tot makkelijk op te nemen voedingsstoffen. Hierbij is voornamelijk de productie van vitamine K door deze bacteriën belangrijk. Bij pasgeboren baby's ontbreken deze bacteriën nog, waardoor ze door een tekort aan vitamine K bloedingsstoornissen kunnen krijgen. Elke pasgeborene krijgt daarom 1 milligram vitamine K. Zonder deze darmflora kan een mens niet overleven. Antibiotica bestrijden bacteriën en zijn daarom ook schadelijk voor de darmflora.
Bij andere diersoorten is de totale lengte van het darmkanaal afhankelijk van het dieet. Carnivoren of vleeseters hebben een kortere darm nodig om hun vlees te verteren, terwijl herbivoren of planteneters een langere darm nodig hebben, omdat de vertering van planten trager verloopt (de darm van een schaap is bijvoorbeeld ongeveer 28 meter).
De mens is een omnivoor (alleseter) en heeft een darm die in lengte tussen die van een carnivoor en een herbivoor ligt.
As Humans Change Landscape, Brains of Some Animals Change, Too
Evolutionary biologists have come to recognize humans as a tremendous evolutionary force. In hospitals, we drive the evolution of resistant bacteria by giving patients antibiotics. In the oceans, we drive the evolution of small-bodied fish by catching the big ones
In a new study, a University of Minnesota biologist, Emilie C. Snell-Rood, offers evidence suggesting we may be driving evolution in a more surprising way. As we alter the places where animals live, we may be fueling the evolution of bigger brains.
Dr. Snell-Rood bases her conclusion on a collection of mammal skulls kept at the Bell Museum of Natural History at the University of Minnesota. Dr. Snell-Rood picked out 10 species to study, including mice, shrews, bats and gophers. She selected dozens of individual skulls that were collected as far back as a century ago. An undergraduate student named Naomi Wick measured the dimensions of the skulls, making it possible to estimate the size of their brains.
Two important results emerged from their research. In two species — the white-footed mouse and the meadow vole — the brains of animals from cities or suburbs were about 6 percent bigger than the brains of animals collected from farms or other rural areas. Dr. Snell-Rood concludes that when these species moved to cities and towns, their brains became significantly bigger.
Dr. Snell-Rood and Ms. Wick also found that in rural parts of Minnesota, two species of shrews and two species of bats experienced an increase in brain size as well.
Dr. Snell-Rood proposes that the brains of all six species have gotten bigger because humans have radically changed Minnesota. Where there were once pristine forests and prairies, there are now cities and farms. In this disrupted environment, animals that were better at learning new things were more likely to survive and have offspring.
Studies by other scientists have linked better learning in animals with bigger brains. In January, for example, researchers at Uppsala University in Sweden described an experiment in which they bred guppies for larger brain sizes. The big-brained fish scored better on learning tests than their small-brained cousins.
Animals colonizing cities and towns have to learn how to find food in buildings and other places their ancestors hadn’t encountered.
“We’re changing rural populations, too,” Dr. Snell-Rood said. As forests get cut for timber or farming, for example, bats may have to travel farther to find food and still be able to navigate home to roost. Big brains may have benefited them as well.
Other scientists not involved in the research hailed it as the first report of significant changes in brain size in animals outside of labs. “I think the results are exciting and deserving of much follow-up work,” said Jason Munshi-South, an evolutionary biologist at Fordham University.
Dr. Munshi-South and other researchers see a need to test Dr. Snell-Rood’s hypothesis in new ways, so as to rule out alternative explanations.
If she’s right, for example, then the same trend she observed in Minnesota should exist in museum collections of skulls from other heavily developed regions of the world.
It should also be possible to continue the research in labs, by breeding small-brained rural mammals with their big-brained cousins. By studying their offspring, scientists could study the genes involved in producing different brain sizes. They could even give the animals tests to see just how much life in a human-dominated world has changed how their brains work.
But the ultimate breeding experiment to test Dr. Snell-Rood’s hypothesis may not be possible outside the movie set for “Jurassic Park.” “What would be really cool would be to raise populations from 1900,” said Dr. Snell-Rood with a laugh, “but we can’t really do that.”
source
Autotomie is het vermogen van sommige dieren lichaamsdelen af te werpen als ze worden aangevallen of vastgehouden.
Het komt bij reptielen alleen voor bij de staart van de suborde hagedissen. Wie een hagedis vangt, moet het dier dan ook nooit bij de staart pakken. Als de staart is afgeworpen, blijven de spieren en zenuwen nog enige tijd actief; de staart blijft kronkelen waardoor het roofdier wordt afgeleid en de hagedis kan ontsnappen. Na een paar dagen begint de stomp dicht te groeien, waarna er gedurende enige weken een verkleinde staart gevormd wordt.
Deze nieuwe staart heeft meestal een donkere kleur en wordt nooit zo dik en lang als daarvoor. Omdat de staart als roer gebruikt wordt en de meeste hagedissen veel klimmen en de staart ook dient als vetopslag, krijgt het dier een deel van zijn evenwichtsverlies en vetbuffer terug door de aangroei van een stomp.
Bij veel soorten breekt de staart op een vast punt; een niet-toevallig aanwezige verzwakking van één van de staartwervels. Het dier zelf kan dus niet de staart afwerpen; het gebeurt als er voldoende aan getrokken wordt. Vaak ligt dit punt op ongeveer twee derde van de staartlengte vanaf de kop gezien.
Kreeft- en spinachtigen kunnen poten of scharen afwerpen waarna deze weer aangroeien na een aantal vervellingen, dit laatste wordt regeneratie genoemd. Bij veel spinnen is er in de poten een duidelijk breukvlak voorzien tussen de coxa en de trochanter waar de autotomie plaatsvindt (door de coxa krachtig op te tillen) als de poot wordt vastgehouden. Bij verdoofde spinnen werkt dit niet, voor autotomie is het nodig dat de spin bij bewustzijn is - het is niet een puur passief proces.
Cellen werden voor het eerst ontdekt door Robert Hooke in 1665. Hij bekeek een zeer dun laagje kurk onder een microscoop, en zag een structuur die hij omschreef als een bijenraat, ze hem deden denken aan de cellen van monniken in een klooster. Vanwege deze gelijkenis noemde hij de individuele hokjes cellen; een naam die ze vandaag de dag nog steeds dragen. Hooke wist echter nog niets van hun echte structuur of functie. Hookes omschrijving van deze cellen werd gepubliceerd in Micrographia. In zijn omschrijving werd nog niets vermeld over de organellen die in de meeste levende cellen terug te vinden zijn.
De eerste mens die levende cellen bekeek onder een microscoop was Antonie van Leeuwenhoek. In 1674 ontdekte hij de alg Spirogyra. Hij noemde de micro-organismen die hij zag "animalcules" of "dierkens" (kleine dieren). Leeuwenhoek zag mogelijk ook bacteriën. Zijn bevindingen, die later zouden worden verwerkt in de eerste versie van de celtheorie, stonden in contrast met de theorieën over vitalisme, die voor de ontdekking van de cellen werden gehanteerd.
Arthur Lidov
Katie Scott.
Alex G Griffiths: Evolution
Met een FAP (Fixed Action Pattern - vast gedragspatroon) wordt een serie handelingen beschreven die bij elkaar horen. Bekende voorbeelden zijn de bijendans en de balts van de driedoornige stekelbaars.
Ethologie?
Ethologie of gedragsbiologie is een onderdeel van biologie, waarin het gedrag van dieren centraal staat. Ook vanuit de psychologie (in de vergelijkende psychologie, het behaviorisme of de leerpsychologie) wordt het gedrag van dieren bestudeerd. Bijvoorbeeld het bekende pavloveffect (voorwaardelijke reflex) is ontdekt door de fysioloog Ivan Pavlov bij onderzoek over honden.
Gedrag van dieren is altijd een onderdeel geweest van biologie. In de 19e eeuw werd het woord ethologie geïntroduceerd door de Franse zoöloog Isidore Geoffroy Saint-Hilaire. Het ethologisch onderzoek komt goed op gang rond 1950 met het onderzoek van de Duitser Karl von Frisch (onder andere aan bijen - de bijendans), de Oostenrijker Konrad Lorenz (onder andere aan pasgeboren ganzen - inprenting) en de Nederlander Niko Tinbergen (onder andere aan graafwespen). In 1973 kregen zij gezamenlijk de Nobelprijs voor hun werk.
Gedrag kan omschreven worden als het systeem waarmee dieren (dus ook mensen) uitgerust zijn om veranderingen in de omgeving op te meten en hierop gepast te reageren door zich aan te passen aan de gewijzigde situatie. Het is een actie die ontstaat als reactie op een prikkel uit de omgeving.
De waarneming van gedrag moet zeer zorgvuldig en objectief geschieden; in de beschrijving mag geen uitleg van het gedrag zitten en antropomorfe termen mogen niet gebruikt worden. Voorbeeld: goed is "de hond gromt en ontbloot zijn tanden". Fout is: "de hond is boos". De eerste zin geeft een beschrijving; de tweede zin geeft een uitleg, waarvan je niet weet of het een juiste is, bovendien kunnen mensen niet weten wat een hond voelt of ervaart.
Gedrag is opgebouwd uit gedragselementen; een gedragselement is een afzonderlijke handeling. Een ethogram is het gehele repertoire aan handelingen van een dier. Een protocol is een opsomming van alle handelingen die een dier tijdens een observatieperiode heeft uitgevoerd, met tijdsaanduiding. Met behulp van protocollen wordt het gedrag van het dier meetbaar gemaakt.
Met een FAP (Fixed Action Pattern - vast gedragspatroon) wordt een serie handelingen beschreven die bij elkaar horen. Bekende voorbeelden zijn de bijendans en de balts van de driedoornige stekelbaars.
Niko Tinbergen formuleerde dat de ethologie zoekt naar 4 soorten verklaring voor gedrag:
functie: hoe draagt het gedrag bij aan de overleving en het succes van het dier
oorzaak: welke situatie en stimuli roepen het gedrag op, is het gedrag instinctief of aangeleerd.
ontwikkeling: verandert het gedrag met leeftijd, zijn er eerdere leerervaringen nodig om dit gedrag te vertonen.
ontstaan: hoe is het gedrag evolutionair gezien ontstaan
Gedrag wordt veroorzaakt door een samenstel van inwendige factoren (motivatie) en uitwendige factoren (prikkel). Voorbeelden van inwendige factoren zijn honger, dorst en hormonale toestand. Voorbeelden van uitwendige factoren zijn waarnemen van een soortgenoot, van voedsel en van een bedreiging.
Een roodborstmannetje zal een ander mannetje dat in zijn territorium komt aanvallen. Uit onderzoek blijkt dat de werkelijk prikkel (sleutelprikkel) de rode borstvlek is: hij reageert wel op een bosje rode veren, maar niet op een mannetje zonder rode borstvlek.
Een interessant verschijnsel is de supranormale prikkel. De Kleine mantelmeeuw geeft de voorkeur aan grote nep-eieren boven zijn eigen eieren. De opengesperde bek van een jonge koekoek stimuleert de pleegouders meer om er voer in te stoppen, dan de bekken van hun eigen jongen.