Toen ik 1 jaar oud was, in 1992, werd in Rio de Janeiro de eerste duurzaamheidstop georganiseerd door de Verenigde Naties. Blijkbaar maakten sommigen zich toen al druk over de staat waarin de aarde verkeerde en de rol die wij mensen daar in speelden. Sindsdien zijn er klimaatconferenties geweest in Kopenhagen en Cancun, werd Shell aangepakt door Greenpeace, liet Al Gore in zijn film een 'Uncovenient Truth' Nederland onder water lopen en verschenen tientallen sombere rapporten over de werelwijde afname in biodiversiteit en het smeltende ijs op de polen tengevolge van een opwarmende aarde.
Aankomende woensdag zal weer een duurzaamheidstop van start gaan; RIO+20. Tijdens deze bijeenkomst zullen twee onderwerpen centraal staan; een groene economie in de context van duurzame ontwikkeling en armoede bestrijding en het creëren van een internationaal framework voor duurzame ontwikkeling. De uitdaging van de top is enorm omdat ze via een groene economie zowel beoogt het milieu te beschermen als armoede terug te dringen en maatschappelijke gelijkheid te creëren.
Maar kunnen die twee doelen wel samen gaan? In theorie wel. Duurzaamheid gaat namelijk over 'de schaarste van de hulpbronnen waarmee welvaart wordt voortgebracht, zowel nu als in de toekomst'. Als je in staat bent schaarse bronnen slimmer in te zetten, dan maak je groei op een duurzame en ecologisch verantwoorde manier mogelijk. En dit is ook het argument dat velen zullen gebruiken in Rio+20; het vergroenen van de economie zorgt op de lange termijn voor meer economische groei, en meer welvaart.
In een rapport van de IAO, UNEP, IOE en IVV wordt geschat dat een 'groene economie' wereldwijd tussen de 15 en 60 miljoen extra banen kan creeeren. In het rapport 'De groene economie' van het NCDO wordt gestelt dat er met name voor ontwikkelingslanden kansen liggen in het vergroenen van hun economieën. Een groene economie pakt namelijk naast milieuproblemen ook sociale problemen aan zoals armoede, ongelijkheid en gezondheidszorg die economische groei in deze landen belemmert.
De idee om duurzame ontwikkeling te koppelen aan armoedebestrijding en een 'eerlijkere' welvaartsverdeling klinkt zo gek nog niet. Maar wie verder leest in het rapport van het NCDO treft een lijstje maatregelen aan waar veel vraagtekens bij gezet kunnen worden, zeker binnen de internationale context van RIO+20.
Zo wordt genoemd: het vergroenen van het belastingstelsel via het 'de vervuiler betaalt' principe, een nieuwe welvaartsindexering in plaats van het BNP, maatschappelijk verantwoord ondernemen en het creëren van een markt voor ecosystem services.
Laten we beginnen met het vergroenen van het belastingstelsel. Hier vallen maatregelen onder zoals het 'internaliseren van de milieukosten in de prijs van producten, herstelkosten voor milieuschade en de belasting op milieuonvriendelijke stoffen'. Prima, in Nederland. Maar moeten wij hier internationale afspraken over maken omdat wij denken hiermee ontwikkelingslanden uit de armoede te halen? Behoorlijk hypocriet aangezien het Westen de voorwaarden voor de eigen economische groei altijd zelf heeft bepaald, en dat waren er op milieugebied tot voor kort nog bar weinig. Als wij overigens echt geinteresseerd zijn in de economische ontwikkeling van de rest van de wereld dan kunnen we ook maatregelen nemen om deze landen meer te laten profiteren van globalisering; door bijvoorbeeld te stoppen met het beschermen van bepaalde Europese sectoren en het vasthouden aan antidumpingsprocedures. Natuurlijk denk ik dat het vergroenen van de economie voor ontwikkelingslanden een slimme zet kan zijn om binnenlandse ecologische en sociale problemen aan te pakken die economische groei belemmeren. Maar help ze hier dan mee door te investeren in nieuwe technologieen en innovatie daar, en beperk ze vooral niet met extra wet en regelgeving afkomstig uit de internationale arena.
Het getuigt overigens ook van weinig vertrouwen in de vindingrijkheid van ontwikkelingslanden om oplossingen te vinden voor hun eigen ecologische en sociale uitdagingen. Laten we vooral niet vergeten, het zijn die landen die (mocht het klimaat echt compleet omslaan) het hardst geraakt zullen worden. De noodzaak om oplossingen te vinden is daar dus ook het grootst. En een 'sense of urgency' doet het altijd goed bij mensen om in beweging te komen. Daarnaast liggen de beste oplossingen vaak bij mensen zelf, op lokaal niveau. Ik hoor van veel mensen die lange tijd hebben gereisd en onderzoek hebben gedaan in ontwikkelingslanden dat ze verstelt staan over de briljante uitvindingen en initiatieven die mensen doen om zich een sombere sociale of ecologische sitatie op te trekken. Ik geloof daarom heel erg in het direct steunen van lokaal initiatief vanuit het westen via investeringen, kennis en kunde. Een goed voorbeeld van lokale waterprojecten in Zuid-Amerika is Cycle for Water. Of de onderwijs- en waterprojecten in Kameroen van Livebuild. Beide organisaties opgezet door jonge gedreven mensen die dicht op de projecten zitten en de problematiek in de landen kennen.
Maar terug naar de genoemde maatregelen voor een groene economie; op een nieuwe indexering voor welvaart en maatschappelijk verantwoord ondernemen (mits vanuit de 'profit' gedachte benaderd) heb ik weinig aan te merken. Aanmerkingen heb ik wel op het creëren van een markt voor ecosystem services. Voorstellen die hierbij horen zijn 'het economisch waarderen van een ecosysteem in zijn geheel' en 'hulpbronnen afzonderlijk van economische waarde voorzien'. In normale taal: het kapitaliseren van functies van de natuur, dus de capacitieit van een bos om CO2 op te slaan en van een bron om water te leveren. Door hier een prijskaartje aan te hangen kan je met een kosten baten analsye 'biodiversiteitsverlies' en 'duurzaam beheer' bijvoorbeeld tegen over elkaar zetten en afwegen.
Wat ik gevaarlijk vind hieraan is dat de waarde van functies van de natuur afhankelijk zijn van een menselijke inschatting van de kosten en baten van het behoudt ervan, de kosten en baten voor ons. Wij maken onszelf de enige shareholder. Daarnaast zou het Westen juist het voortouw moeten nemen om de exploitatie van de natuur qua omvang zoveel mogelijk moeten te beperken door hulpbronnen duurzamer te (her)gebruiken. Ongeveer 3/4 van de biomassa op aarde bereikt nog niet de commerciele markt. In plaats van dit potentieel aan het lot over te laten van kosten-baten analyses, kan er beter duurzamer om worden gegaan met de 1/4 die wel wordt gebruikt, bijvoorbeeld via de principes van Cradle to Cradle en de Circulaire Economie. Waarom dit nog niet op grote schaal van ontwikkelingslanden kan worden verwacht heb ik zojuist toegelicht. Daarom is het des te belangrijker om de natuur en haar functies vooral niet te commercialiseren, aangezien de meeste overheden in ontwikkelingslanden haar in de uitverkoop zullen doen en burgers staan buiten spel want zij zijn niet eens mede-eigenaar.
Waar wel naar moet worden gestreeft in Rio+20, dat weet ik niet goed. Er zitten dan ook duidelijke flaws in mijn verhaal. Ik geloof enerzijds dat mensen in ontwikkelingslanden de oplossingen zelf in handen hebben om ecologische uitdagingen aan te gaan en ook daarmee hun economische positie te verbeteren. Natuurbehoud heeft, ook op microniveau, een economische waarde. Maar of het verstandig is om op mondiaal niveau te pleiten voor een verdere commercialisering van de natuur, daar heb ik sterke twijfels bij. Er is namelijk verre van een level playing field tussen landen op dit terrein. Daarom ben ik ook huiverig voor teveel internationale wet en regelgeving op milieugebied die economische groei juist kan belemmeren in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd realiseer ik mij wel dat lokaal initatief in ontwikkelingslanden bemoeilijkt wordt doordat burgers vaak geen mede-eigenaar zijn van schaarse hulpbronnen in hun omgeving wat het maken van een sterke businesscase om er duurzaam mee om te gaan bemoeilijkt. Dit is overigens ook het geval in Nederland. Kan duurzaamheid wel van bottom up komen?
Over een paar dagen zullen we weten of de duizenden activisten en afgevaardigden bij Rio+20 iets dichter bij overeenstemming over duurzame ontwikkeling zijn gekomen. Volgens Wijnan Duyvendak, in een column op Joop.nl zal de top op niks uitlopen omdat niemand bereidt is offers te maken die de wereld kunnen redden. Onzin, als je het mij vraagt is Rio+20 is helemaal geen graadmeter voor de bereidheid om deze aardbol te redden. En het is sowieso een bizarre gedachte om te denken dat de aarde gered KAN worden op internationaal overleg. Daarmee doe je ten eerste de dagelijkse inspanningen van mensen en organisaties wereldwijd tekort die gewoon hun leven leiden of werk doen en amper een negatieve impact hebben op het milieu of er zelfs mee bezig zijn deze te verminderen. En ten tweede maak je daarmee de impact van de mens op de aardbol buitenproportioneel groot en belangrijk. De aarde, die is groot en belangrijk, wij een stuk minder