Een paar keer liep Rex voor de deuropening heen en weer. Hij controleerde het nummer op de brievenbus, keek naar het nummer op de postkaart. Ze kwamen overeen, dit was de plek. Langzaam stapte hij de treden van de trap op. Hij klopte op de zware houten deuren, het geluid galmde de ruimte in. Van achterin hoorde hij geschuifel, gepiep en gekraak. Een deur viel dicht. âKom verder,â knarste een stem, oud en vermoeid. Voorzichtig liep Rex dieper het schemerige vertrek in. Het spaarzame licht viel door hoge glazen ruiten naar binnen. Met moeite kon hij de zittende figuur tegen de achterste muur ontdekken. Hij liep er dichter naartoe, bleef op ongeveer een meter afstand staan en keek om zich heen. âEen kerk, echt?â vroeg hij. De man in de stoel lachte kort en hijgend. âNiemand anders gebruikt hem nog. Het leek me een goede plek om te blijven.â Rex haalde zijn neus op. âJe hoort hier niet,â zei hij. De man in de stoel antwoordde niet, wreef met zijn handen over elkaar en hief zijn hoofd op. âJe ziet er goed uit, Rex. Een beetje vermoeid, maar voor de rest goed.â Rex schudde zijn hoofd. âJe hoort hier niet,â zei hij weer. De man zuchtte diep.
âZe zijn allemaal weg, Rex. Alle vrouwen, alle aanbidders, meepraters, bewonderaars. Alles wat ik had opgebouwd is afgebrokkeld, verwaaid tot zand. Alleen jij bent er nog, hoewel ik vaak genoeg heb herhaald dat je moest vertrekken. Koppige rotzak. Ik zie het al aan je blik, je wil me hier vandaan slepen en me in één of ander ziekenhuis laten verzorgen, alsof ik zwak ben en beroofd van trots. Krijg de tering maar.â Rex keek om zich heen. zag een gammel houten kistje liggen en zette het tegenover de man in de stoel. âHoe heet je vandaag?â vroeg hij. De man dacht even na. âIk kan niet meer dagelijks wisselen. Een tijdlang heb ik Joziah geheten, maar de naam is bitter geworden om te gebruiken. Zeg me, Rex, hoe zal ik mij noemen?â Rex keek naar het hoge plafond, de plek waar vroeger het kruisbeeld had gehangen. âPater lijkt me passend,â zei hij toen. De man in de stoel knikte. âEen goede naam, voor nu.â
Een kwartier bleven Rex en Pater zo zitten, in stilte. Toen schraapte Pater zijn keel. âHeb je de kaarten gekregen? Alle twintig?â Rex knikte, een kleine glimlach kroop over het gezicht van Pater. âIk had je mee moeten nemen, dat heb ik de hele reis gevoeld. De dingen die ik zag, de plekken die ik bezocht. Het was allemaal beter geweest als ik je mee had genomen.â Rex was opgestaan. âDit heeft geen zin,â zei hij en hij begon te ijsberen door het vroegere gangpad. De tegels waren versleten van alle mensen die hem voor waren gegaan. âBlijf hier, dan haal ik iemand, dan draaien we het terug,â zei hij. âRexâŠâ Pater kwam moeizaam overeind. âHet is voorbij,â zei hij. âMaar als je iets voor me wil doen, tegenover de kerk is een park, met bankjes. Neem me daar mee naartoe. Ik heb het in mijn eentje geprobeerd maar kwam de straat niet over.â
Pater hing zwaar aan zijn rechterkant, maar Rex hield hem zo goed mogelijk van de grond af. Het zweet stroomde over zijn rug nog voordat het park was bereikt. Bij een bankje tegenover een fontein tikte Pater op zijn schouder. âHier is goed,â zei hij, zijn stem nauwelijks meer dan het geritsel van versleten bladzijden. Langzaam liet Rex de man op het bankje zakken. In stilte nam hij plaats, de zon scheen in hun gezicht. âDit is goed, Rex. Dit is heel goed,â zei Pater, en hij zuchtte diep. Rex zei niets. Na een kwartier stond hij op en liep hij weg. Voordat een bocht het bankje aan het zicht zou onttrekken, draaide hij zich om. Pater was iets in elkaar gezakt, een vrouw kwam voorzichtig dichterbij. âJa, dit was goed geweest,â dacht Rex.