Houdini
Soms wil hij zichzelf opvouwen. Er zijn dagen waarop dat bijna lijkt te lukken. Vandaag is zo een dag. Met opgetrokken knieën en zijn armen daaromheen geslagen kijkt hij door het raam. Vogels bevolken de tuin en zorgen voor een speelse bedrijvigheid die op een niet-bedreigende manier doet denken aan de drukte in de straten. Hij volgt met zijn ogen het schichtig om zich heen kijkende kopje van een koolmees die zich vastklampt aan de vetbol in de boom. Wanneer het beestje plots wegfladdert zucht hij kort, sluit zijn ogen en legt zijn voorhoofd op zijn knieën. Dit is voorlopig zijn meest opgevouwen vorm.
"Straks loop je gewoon door die haag", zei de hond die naast me stond. "Erdoor?" vroeg ik. "Erdoor", bevestigde de hond. Hij knikte vastberaden. "Maar hoe kan dat dan?" vervolgde ik. "Ik bedoel, ik kan toch niet door die haag zonder snoeischaar of hakmes?" De hond keek even scheef omhoog en schudde dan wild met zijn kop. "Je loopt erdoor, zoals je door een openstaande deur loopt, jongen." Ik begreep er niets van. "Maar ik ben toch geen geest?" Een gesprek met een hond is zelden een makkelijke opgave. Ofwel praat het beest niet terug, ofwel heeft het een vreemde gedachtegang waar je als gewoon mens maar moeilijk aan uit kunt.
Wie zichzelf opvouwt, moet zich ooit ook weer ontvouwen. Ontvouwen klinkt alleszins eenvoudiger dan ontplooien, want met dat laatste gaan vaak ingewikkelde processen van reflectie en realisatie gepaard. Hij doet zijn best om aan het simpele ontvouwen te beginnen, maar hij krijgt voorlopig enkel zijn ogen open. Hij zou zijn hoofd kunnen oprichten, zijn rug kunnen rechten, zijn armen even losschudden, opstaan, een strijkkwartet van Beethoven beluisteren en koffie zetten. Dat zou hij kunnen, maar hij doet niets van dat alles. Hij blijft zitten. De haartjes op zijn benen heeft hij nog nooit zo bewust en van zo dichtbij gezien.
"En zelfs als ik een geest zou zijn, dan zou ik het nog niet mogelijk achten. Als je door hagen kunt lopen, dan zak je toch ook door de grond?" Ik probeerde te begrijpen hoe ik volgens de hond door materie zou kunnen bewegen, maar het lukte me niet. Dat werkte duidelijk op zijn zenuwen. Hij blafte een keer, gevolgd door een gefrustreerd gegrom. Net als enkele ogenblikken eerder schudde hij opnieuw wild met zijn kop, zodat ik zijn oren hoorde flapperen. Vervolgens zette hij zich schrap, om het dan plots op een lopen te zetten. Ik zag hem recht op de haag af snellen en hield mijn adem in.
Opnieuw zucht hij, langer deze keer. Zijn hoofd rust nog steeds op zijn benen, zijn armen er nog steeds omheen geslagen, zijn vingers in elkaar verstrengeld. Hij weet niet hoe lang hij hier zo al zit. Plots klinkt het zoemende trilsignaal van zijn mobiele telefoon. Ogenblikkelijk richt hij zijn hoofd op, alsof er iemand met een touwtje aan zijn kruin heeft gerukt. Het voelt aan als een reflex en dat bezorgt hem telkens weer een wrang gevoel. De macht van dat toestel laat steeds minder ruimte om eraan te ontsnappen. Zeker niet voor iemand die constant met gevoelige antennes door de dag gaat.
Hij was weg. Althans, dat dacht hij gedurende een fractie van een seconde. De hond was met zijn kop vooruit in de haag gedoken, met een storm van in het rond vliegende blaadjes als gevolg. "Nu jij!" riep hij, terwijl hij met zijn snuit de grond onder de haag besnuffelde. Ik lachte en genoot van de gekke naïviteit van het beest. "Kom!" maande hij me opnieuw aan om hem te volgen. Het klonk dwingend, waaruit ik afleidde dat hij niet tevreden zou zijn als ik het niet zou proberen. "Ik loop gewoon door die haag", zei ik, meer tegen mezelf dan tegen de snuffelende hond.
"Wanneer spreken we nog eens af?" Dat zijn de woorden die hij hoopt te lezen. Eigenlijk zijn het de woorden die hij zelf zou willen schrijven, maar dat kan hij niet. En zelfs als hij zou kunnen, dan zou hij die vraag niet via digitale weg versturen. Hij zou een nieuw, wit blad nemen, in de rechterbovenhoek op ouderwetse manier de dorpsnaam en de datum schrijven, openen met de bekende aanspreking en vervolgens in zijn mooiste handschrift de letters tot woorden en de woorden tot vraag, tot hartenkreet aaneenknopen. De brief, die eigenlijk te kort zou zijn om als brief beschouwd te worden, zou hij zorgvuldig opvouwen, met keurige vouwlijnen, en zo in een onbeschreven omslag stoppen. Mocht het mogelijk zijn, dan zou hij zelf ook in die omslag springen, maar hij doet niets van dat alles. Hij stuurt of leest de verhoopte vraag niet. Hij leest iets helemaal anders: "Heb jij Houdini gezien? Hij moet in de loop van de voormiddag ontsnapt zijn. Die hond heeft zijn naam echt niet gestolen."
Ik haalde diep adem. Wat was het ergste dat me kon overkomen? Hooguit liep ik enkele schrammen op, door net als Houdini in de haag terecht te komen. De hond zou dan vast ook eens lachen, waarna ik hem bij mijn bezorgde buurvrouw zou terugbrengen. Als ik het niet probeerde, dan zou Houdini wellicht weerbarstig worden, waardoor hij zich moeilijker zou laten vangen en wegleiden. Na nog eens stevig in- en uit te ademen zette ik me op mijn beurt schrap, ging enkele passen achteruit om een goede aanloop te nemen en vertrok dan, als een pijl uit een boog. De haag kwam in sneltempo op me af. Ik voelde de adrenaline door mijn lijf pompen. Slechts enkele stappen van de groene muur verwijderd sloeg de aarzeling plots toe. Afremmen was echter geen optie meer en ik sloot mijn ogen, me overgevend aan het onvermijdelijke.
"Niet gezien, maar ik zal eens rondkijken in de buurt. Ik hou je op de hoogte!" Zijn buurvrouw is slecht te been en vraagt hem wel vaker om haar even te helpen. Een boodschap, kleine klusjes of een ontsnapte hond, hij steekt graag een handje toe. Houdini heeft hij zo al twee keer teruggevonden. Zijn band met het beest is goed, zo goed dat hij er sinds een paar maanden over nadenkt om zelf ook een hond in huis te nemen. Hij recht zijn rug, schudt zijn armen even los en staat op. Geen strijkkwartet van Beethoven en ook geen koffie, wel een sjaal, een muts en een jas. Hij trekt zijn voordeur achter zich dicht en roept een eerste keer de naam van de ontsnapte hond: "Houdini!"
Geen takken. Dat was het eerste wat door mijn hoofd schoot toen ik erdoor was. Geen takken, geen schrammen, zelfs geen haag, zo bleek. In het duister wist ik niet waar ik was, maar in de verte hoorde ik Houdini wel opgewonden blaffen. "Houdini! Ik ben erdoor! Rustig maar!" Nu ik bekomen was van de verwondering dat ik niet tegen, maar door de haag was gelopen, keek ik voor het eerst aandachtig naar mijn omgeving. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Voor me uit kijken lukte, al zag ik niets. Ook leek ik met mijn neus ergens tegenaan te drukken. Om opzij te kijken moest ik me evenwel flink inspannen. Mijn hoofd liet zich niet zomaar naar links draaien toen ik dat probeerde. Wanneer het me toch gelukt was, zag ik dat ik tussen twee op elkaar toelopende witte muren gevangen zat.
"Houdini! Waar zit je, jongen?" Hij wandelt door de wijk en roept om de zoveel tijd de naam van de vermiste hond. Onderweg kijkt hij naar de beweging in de buurt. Een kind wordt aan de hand van een moeder naar een wagen geleid; het kleine hoofdje gaat schichtig heen en weer. Terwijl hij toekijkt flitst het idee van een brief weer door zijn hoofd. Hij weet wel waarom hij pen en papier niet ter hand neemt, maar dat neemt niet weg dat hij de aandrang voelt om het wel te doen. Het geluid van een startende motor duwt de gedachte weer weg. Wanneer de wagen met moeder en kind wegrijdt, hoort hij in de dichtstbijzijnde tuin geblaf. Hij gaat op zijn tippen staan en rekt zich helemaal uit om over de haag te kijken.
Omdat ik het in eerste instantie een onzinnig idee vond, drong het maar traag tot me door dat er geen andere uitleg mogelijk was. De enige verklaring voor deze situatie was een absurde. Wat me uiteindelijk overtuigde, was het gevoel dat ik niet rechtop stond, maar neerlag. Ik lag neer, tussen twee op elkaar toelopende witte muren, die weinig licht doorlieten. Dat kon maar een ding betekenen: ik was mijn brief geworden. Ik lag in de omslag die ik in gedachten had gehad en was tot mijn eigen hartenkreet getransformeerd. En alsof dat nog niet gek genoeg was, hoorde ik Houdini nog steeds onophoudelijk blaffen.
"Zozo, daar is onze ontsnappingskoning!" Houdini kwispelt enthousiast als hij mij - ik bedoel: hem - ziet. Onze band is altijd goed geweest. Heeft hij dit al gezegd? Even wordt hij overvallen door een vlaag van duizeligheid. Is dit nu? Was dit mijn herinnering of zijn beleving? De hond blijft staan en blaft luid. Hij lijkt me te roepen. Ik wandel naar de haag en heb het gevoel dat ik niet alleen ben. Het is alsof ik weet wat er gaat gebeuren, alsof dit allemaal al gebeurd is, alsof ik samenval met een andere kant. Ik nader tot op enkele passen van Houdini, waarop hij zich omdraait en onder de haag begint te snuffelen. Hij heeft iets gevonden en wil dat ik het neem. Ik raap een omslag op, kijk even om me heen en haal er dan een brief uit. Wanneer ik het blad openvouw is het even alsof alles in de juiste plooi valt.

















