Territoria Identity
New post published on https://cowboyzoom.com/design/territoria-identity/
seen from Russia
seen from Germany
seen from United States
seen from Poland
seen from Brazil

seen from Malaysia

seen from Russia

seen from Spain
seen from China
seen from Germany

seen from United States
seen from United States

seen from Poland

seen from United States
seen from Egypt
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from United States
Territoria Identity
New post published on https://cowboyzoom.com/design/territoria-identity/
Вот наш очередной #проект, который мы будем реализовывать самое ближайшее время! Осталось самая малость - согласовать смету и #полныйвперед ! Проект заказчик приобрёл в #territoria.by Чем интересны готовые проекты - в его состав входит все до мелочей - его приятно реализовывать! Исключение - наружные сети, благоустройство! #коттедж #коттеджныйпоселок #коттеджныйпосёлок #коттеджподключ #коттеджи А назовём мы его #жилойдомсгаражом (at Minsk Region)
What will man the pavilion?
via >
#architecturephotography #architecturephoto #arquitectura #architecture #territoria #salamandra @pabloaranedafotografo
Musya Totibadze. Ballad of children of Ursa Major.
OST “Territoria“
Azerbaijan said Friday it had lost eight soldiers in three days of clashes with arch-foe Armenia on the border and near the disputed Nagorny Karabakh region in a dramatic spike in tensions in the long-simmering territorial conflict. Azerbaijan's defence ministry said Armenian troops had ramped up their activity in the past few days and attacked Azeri positions. "As a result of clashes over the past three days, eight Azeri troops have died," it said. Azerbaijan and Armenia have been locked in a protracted conflict over the Nagorny Karabakh region with occasional skirmishes along the front. Source: AFP
Grenzeloze ruimte
Een interview met Erki De Vries door Marnix Rummens De grenzen van ons ruimtelijk gevoel, dat is wat beeldend kunstenaar Erki De Vries opzoekt in zijn werk. Zijn uitgepuurde omgevingen van verglijdende muren vormen labyrinten waarin de toeschouwer zijn oriëntatie verliest. Dat die interactieve installaties ook een boeiende performatieve kant bezitten, bewijzen zijn vele samenwerkingen met choreografen en theatermakers. Tijd voor een gesprek over de wisselende rol van beeldend kunstenaar en scenograaf. Met de ruimte als actieve tegenspeler. Door je opleiding aan Sint-Lucas Antwerpen en het HISK heb je een duidelijke achtergrond als beeldend kunstenaar. Hoe kwam je met podiumkunsten in contact? Van jongs af aan ben ik erg geboeid door dans en theater. Wat me al snel fascineerde aan podiumkunst is het feit dat je als toeschouwer wordt ondergedompeld in een fictieve ruimte. Ook het aspect van tijdsverloop interesseert me: het podium biedt een plek om evolutie en verandering te ervaren op een meer fysieke en directe manier dan beeldende kunst of zelfs film dat kan. Het leunt nauw aan bij wat ik als beeldend kunstenaar probeer te doen: omgevingen creëren die op een heel concrete manier vragen oproepen. Toen ik tijdens een festival in het STUK een dag kon samenwerken met de Turkse choreograaf Mustafa Kaplan, bleek dat ons onderzoek heel gelijklopend was. In beide gevallen vertrekt het van de vraag hoe het lichaam in relatie staat tot zijn omgeving. Die ontmoeting lag aan de basis van twee producties met het gezelschap Taldans: Graf en Documan. Je werkte sindsdien mee aan heel aparte voorstellingen. Toch wordt je scenografisch werk gekenmerkt door een duidelijke lijn. Wat is voor jou het verbindende element? Zowel in mijn installaties als in mijn scenografieën onderzoek ik de ruimte, en hoe we die als mens ervaren. Hoe staan we in relatie tot onze omgeving en hoe beïnvloedt die omgeving ons? Ik puur de ruimte uit tot architecturale basisvormen en verhoudingen die niettemin heel herkenbaar, zelfs archetypisch overkomen: muren, raam- en deuropeningen, hoeken. De omgevingen die ik bouw zijn op mensenmaat gemaakt, waardoor je als toeschouwer steeds een soort van betrokkenheid of verbinding voelt. Maar door veranderingen aan te brengen – ik laat muren bewegen bijvoorbeeld, of werk met projecties - gaat het publiek zijn grip op de ruimte verliezen. Dat maakt dat je evidente uitgangspunten over ruimte moet gaan herbekijken, zoals de veronderstelling dat ruimte een statisch gegeven is. Ik benader ruimte op een dynamische manier, als onderdeel van een proces, en ga op zoek naar tussenruimtes. Wat wil je met die tussenruimtes bereiken bij je publiek? We proberen de wereld rondom ons te vatten in statische categorieën, terwijl alles eigenlijk steeds evolueert. Hoe je het ook bekijkt, alles maakt deel uit van fysische processen van groei, verandering of verval, op grote of kleine schaal. Ik wil die processen weer zichtbaar maken, want net in dat contrast zit veel poëzie. Op die manier leg je ook bloot hoe we als mens waarnemen en hoe die perceptie onze werkelijkheid bepaalt. We gaan er soms teveel van uit dat de wereld is zoals we hem interpreteren, en we vergeten hoeveel ons perspectief de wereld kleurt. Door de ruimte vanuit verschillende invalshoeken te benaderen, of te tonen in verschillende stadia van een evolutie, laat ik de toeschouwer op een nieuwe manier kijken naar zijn omgeving. Hoe verhoud je je als autonoom kunstenaar tot de rol van scenograaf? Als beeldend kunstenaar ben ik bezig met een duidelijk onderzoek. Het is belangrijk om dan samenwerkingen aan te gaan met makers wiens interesse gelijk loopt. Eerder dan uitvoerend te werken, zoek ik naar een autonoom werkgebied binnen een samenwerking. Het kan heel inspirerend zijn om vanuit verschillende disciplines een gemeenschappelijke interesse te onderzoeken. Bij de creatie van Birdwatching (2009) met Benjamin Vandewalle was het erg boeiend om de relativiteit van ruimtes live op scène te onderzoeken met performers. Het publiek werd rondgereden op een platform door een doolhof van langzaam bewegende muren. Met die elementen kon je de meest vreemde ruimtelijke paradoxen vormgeven. Wanneer een muur en het platform aan dezelfde snelheid voortbewegen lijkt alles bijvoorbeeld stil te staan. Tot er een danser tussenbeide komt die een ander tempo aanneemt. Dan verschuift je perspectief weer volledig. De relatie tussen mens en ruimte is soms veel helderder te vatten in een choreografie dan in een installatie waar het publiek vrij in en uit loopt. Al moet je wel vaker compromissen sluiten bij voorstellingen. Ik ben blij dat ik het samenwerken en het individuele atelierwerk kan combineren. Het lijkt alsof scenografie zich verzelfstandigt in je werk, net zoals dans zich van muziek emancipeerde in de jaren '80. In plaats van een illustratieve omgeving te creëren, scheppen je tussenkomsten een soort van kader dat andere spelregels of parameters introduceert. Ja, tot op zekere hoogte wordt mijn scenografie een zelfstandig onderdeel van de voorstelling. Al moet ze meestal wel geactiveerd worden door de choreografie. Ik probeer letterlijk een tegenspeler te creëren, een setting die actief invloed uitoefent op de performers én op het kijkgedrag van het publiek. Dat is heel duidelijk in de set die ik bouwde voor Portrait van Thomas Ryckewaert. Door het spelen met materialen als gordijnen, mat en donker glas kon ik de manier waarop het hoofdpersonage in beeld werd gebracht vergaand manipuleren. Samen met de belichting werd zo een complex spel van schaduwen, schimmen en reflecties mogelijk. Voor One / Zero (2011) van Benjamin Vandewalle bouwde ik twee mobiele kamers die volledig open plooiden: zowel ruimte als performers werden dan vanuit verschillende posities zichtbaar, als in een soort kijkdoos. Evolueer je op die manier niet van scenograaf naar maker? Geleidelijk aan gebeurt dat, ja. Bij mijn eerste samenwerking met Taldans in 2006 was een podiumvoorstelling voor mij betrekkelijk nieuw. Zo'n voorstelling verloopt complexer want je werkt met meer mensen samen, het gaat vaak om grotere projecten, je hebt per definitie een tijdsverloop en dus dramaturgische opbouw. Stilaan deed ik ervaring op. Ik leerde rustig het medium en ook de sector kennen en weet nu zelf beter wat ik wil onderzoeken op scène. Met Welcome to the Jungle (2012) van Andros Zins-Browne werk ik nog echt als scenograaf, dit keer aan een doolhof van spiegels en licht waar de toeschouwer zelf zal doorlopen. Maar bij de creatie van Territoria (2013) met An De Donder en Freija Van Esbroeck sta ik meer in de positie van maker omdat we samen de thematiek bepalen. Ik voel ook de honger om een soloproject op te zetten. Dat kan een interactieve installatie zijn met een interne dramaturgie. Of anders toch weer een samenwerking met een choreograaf, maar dan meer en meer binnen contouren die we samen opstellen. Is er een wisselwerking tussen je werk als scenograaf en dat als beeldend kunstenaar? Jazeker, zowel technisch als inhoudelijk beïnvloedt het ene project rechtstreeks het volgende. Ik put voor mijn scenografieën veel uit eigen werk. In de video-installatie Performing Space (2006) begon ik een bestaande ruimte te animeren door middel van een bewegende projectie ervan op diezelfde ruimte. Dat was voor mij de basis van Birdwatching en Homo Sapiens (2010): ook daar treden de muren in beweging. Die inhoudelijke inbedding van een scenografie in een individuele artistieke praktijk lijkt me erg belangrijk. Want ze brengt een eigen poëtica binnen de voorstelling, en zorgt voor een bijkomende gelaagdheid. Vaak komen scènische ideeën ook voort uit concepten die ik nog niet kon realiseren in een zelfstandige context. Met Tim Vets probeerde ik een tijdlang om ruimtes electronisch aan te sturen, zoals in de installaties City Lights en Deflector. Met Pure Data - een open source versie max msp - schreven we generatieve programma's die de onderdelen van de installatie volgens een heel complex en organisch patroon lieten bewegen. Maar machinerie en software brengen een enorme technische workload met zich mee, en leggen ook serieuze beperkingen op. Sommige zaken kan je nog het best live realiseren, met mensen. Beïnvloedt je scenografie op haar beurt je installatiewerk? Vanuit de samenwerkingen ga ik mijn eigen onderzoek op nieuwe manieren bekijken. Of tijdens het creatieproces ontstaat er een idee dat uiteindelijk niet gerealiseerd wordt, maar waarmee ik wel zelf aan de slag kan in een ateliercontext. Met Territoria, een project waar ik nu aan werk, combineer ik beide manieren van werken. Samen met fotograaf Pieter Huybrechts ontwikkel ik een beeldend kunstproject waarin foto's van een installatie in nieuwe installaties worden ingezet. Tegelijk zijn die ruimtes en maquettes een voorstudie voor de scenografie van een voorstelling. Samen met Freija Van Esbroeck probeer ik een deel van de ruimte te vatten in een animatiefilm om die als een digitale trompe l'oeil te integreren in de scenografie. Is er naast het samenwerkingsverband en de meer toegepaste context nog een verschil tussen werken aan een scenografie of aan een installatie? Het vertrekpunt ligt anders. Voor eigen installaties vertrek ik meestal uit een persoonlijke fascinatie. Voor werk in de podiumkunsten maak ik veel meer gebruik van verwijzingen naar de canon van de beeldende kunst. Dat is nodig om ideeën te communiceren in een groep, en in de context van de podiumkunsten heeft dat ook in het eindresultaat een grotere meerwaarde. Maar in beide gevallen staat de vreugde van het zelf kunnen construeren wel centraal. Ik werk heel graag met bouwmaterialen zoals hout, kartonplaten (falcon boards), stellingen en ander constructiemateriaal. Dat is een rechtstreeks gevolg van mijn voorliefde voor architecturale basisvormen. Van zodra het basisconcept helder is hou ik ervan om heel empirisch te werken. Vanuit een specifieke vraag - zoals: wat doet bewegend licht met de ruimte?- begin ik dan te experimenteren met materiaal. Die wisselwerking tussen maken en bedenken, het fysieke en het mentale, tussen het technische en het artistieke, dat is de manier waarop ik het liefst mijn werk ontwikkel. In Portrait en Territoria roepen je fysieke ruimtes ook echt mentale ruimtes op, met tegelijk materiële en virtuele aspecten. Hoe werkt dat precies? Door ruimtes te abstraheren speel je sowieso in op een mentaal proces. Abstracte vormen herinneren altijd aan een concreet object, en je kan ze meestal met verschillende zaken in verband brengen. De combinatie met digitale projecties versterkt dat alleen maar. Tegelijk werken onze hersenen op zich ook heel ruimtelijk. Aparte hersencellen en -gebieden treden in verbinding tijdens de meest eenvoudige waarneming. De meeste hersenprocessen voltrekken zich volgens ruimtelijke parameters: we spreken ook van geestesverruiming, gedachtesprongen, associaties en verbindingen. Bij het zien van een uitgepuurde structuur of constructie leg je makkelijk de link met mentale processen, omdat synthetiseren de basisactiviteit is van ons brein. Als lichtverschuivingen, verplaatsingen, reflecties en projecties die abstracte ruimte dan in beweging zetten, wordt niet alleen je oriëntatiegevoel op het spel gezet. Je lijkt ook haast getuige van een mentaal denkproces. Dan wordt de ruimte ook voor het publiek een tegenspeler: het zet de kijker aan om actief zijn eigen vooronderstellingen te herbekijken. Dus met de deconstructie van de ruimte probeer je onze mentale constructies tastbaar te maken? Ik hoop de toeschouwer meer bewust te maken hoezeer wij vaste vormen of eigenschappen toekennen aan alles wat rondom ons beweegt, hoe onze ervaring onze wereld stuurt. In het voelen van het artificiële daarvan zit veel hoop, omdat het meteen ook de maakbaarheid ervan aanwijst. Wie uitgedaagd wordt om iets te herdefiniëren wordt zich bewust van de mogelijkheid om te veranderen. Alles is constructie, en constructie kan aangepast worden, er bestaan geen vaststaande feiten. We moeten leren omgaan met die dynamiek, de juiste flexibiliteit vinden. Ik geloof dat kleinschalige ervaringen verstrekkende consequenties kunnen hebben. Met mijn installaties hoop ik vooral dat potentieel, die bewegingsruimte voelbaar te maken. Geschreven in maart 2012 voor STEPP Meer info