Ik ben mijn eigen bananenschil
‘Nee hoor, dit zijn mijn nieuwe sokken. Vind je ze mooi?’ Even later staat hij bij de koelkast met een ernstig gezicht het pak yoghurt te bekijken. Hij heeft zijn leesbril half op zijn neus. Mijn blik glijdt naar beneden, blijft hangen bij zijn sokken met knalrode tenen. Man kijk over de rand van zijn brilletje en vangt mijn blik op. ‘Sta je me uit te lachen? Dus mijn sokken brengen ook wat kleur in jouw leven’.
Vorige week lag ik gevloerd in bed, bijholteontsteking. Mijn hoofd bonkte hard. Ik had flarden van gedachten over het bellen van 112. Je zult toch een ernstige ziekte hebben mompelde ik in halfslaap voor me uit. Bezwerend telde ik de gekleurde vakjes op mijn dekbed. Als ik het op kon brengen pakte ik er een boek bij. Het enige wat ik verdroeg was ‘Taal is echt mijn ding’ van Paulien Cornelisse. Hilarische columns over onze taal en de verwarring die dit soms geeft. Het gaf wat kleur aan de dag. Als ik weer een paar zinnen had gelezen en moest grinniken, wist ik dat ik niet meteen zou bezwijken.
Mijn gedachten dwaalden af naar een tijd dat ik ook horizontaal lag. Ik was vijftien, weken lag ik in bed vanwege de kusziekte, een geromantiseerde naam voor de ziekte van Pfeiffer. Overtuigd dat Bart uit discotheek ‘My Way’ mij in deze toestand had gebracht. Van hem had ik immers mijn eerste tongzoen gekregen. Tijdens dit ziekbed maakte ik kennis met het korte, geestige verhaal. Het begon met Jos Brink, cadeautje van een tante.
Niet veel later ontdekte ik de meester van het korte humoristische verhaal, Kees van Kooten. Ik verslond het ene na het andere boekje. Heerlijk dat iemand zo grappig kon zijn. Ik heb gegierd om zijn verhaaltjes. ‘Ik ben mijn eigen bananenschil’ typeerde Kees van Kooten ze zelf treffend. De man heeft me door de puberteit gesleept. Nog lang greep ik terug op zijn verhalen als ik een rotdag had. Toen waren het korte verhaal en de column nog zeldzaam. Nu struikelen we over de vaardige stukjes in bladen en kranten.