In memoir I
Ik dwaal door je woonkamer, voel je handen tegen de mijne Je stem ben ik nog net niet verloren, je ogen ze blijven me aankijken
Er is teveel fictie geschreven die dit gevoel omschrijft Teveel fictie en toch lijkt het niet
Ik vraag me af of ik me zo zal blijven voelen wanneer ik ouder ben Maar ik denk dat die vraag een paradox is Ik denk dat bij gebrek aan antwoorden we verslagen de tafel dekken
En ik denk dat als je liefde wilt hebben voor wijsheid je moet accepteren dat je de antwoorden niet zult vinden.
In memoir II
Het probleem is dat ontkenning niet noodzakelijk aanvoelt Dat je jezelf het liefst tot gek verklaart Want je ziet hem, droomt haar, vindt dingen, herrinert je
Ooit las ik dat ze patiënten na een traumatisch ongeval kunstmatig laten slapen terwijl men in deze dromen juist het trauma verwerkt Eigenlijk zou het beter zijn men wakker te houden zodat de gebeurtenis niet wordt opgeslagen en zo de kans op PTSD verkleint
Maar dood is dood blijft dood Relatie uit is uit is over Weg is weg is gepasseerd Voorbij is voorbij is klaar
Dus misschien dat ik je daarom tussen m’n ontbijt door, gedag zeg Om tijdens het diner, m’n halfvolle glas voller te janken Om tenslotte ‘s avonds, over je te dromen.
In memoir III
Kan ik je dan niet loslaten? Of ben ik je nog aan het verwerken?
















