Om een probleem op te lossen, moet ik eerst erkennen dat er een probleem is
Het eerste om een probleem te kunnen oplossen, is eerst erkennen dat er een probleem is. Jazeker, daar hebben we het! Maar laten we eerlijk zijn, dat "erkennen" is toch een hels karwei. Want, ik, ik ben een ware kunstschilder van ontkenning! Zeg me dat ik moet toegeven dat er een probleem is, en ik schilder er vliegensvlug een vrolijke bloemenweide omheen, compleet met zingende vogels en dartelende herten. Probleem? Waar dan? Ik zie alleen maar lieflijke chaos en creatieve roering.
Neem bijvoorbeeld mijn bureau, dat vrolijk chaotische, papierbedekte slagveld. "Probleem?" schreeuwt de kleine zelfingenomen ik in mijn hoofd. "Welnee, dat is geen probleem! Dat is een oase van ideeën, een broedplaats van genialiteit!" Zie het als een mierennest: van buiten een rommelige hoop zand, van binnen een georganiseerd laboratorium van activiteit. Ik zie mezelf al als de "wijze mier" die, met een poot omhoog en een halve broodkruimel in zijn bek, mijn schamele stapels papieren als een knap staaltje natuurkracht verdedig.
Maar, vooruit, laten we dit circus van zelfbedrog eens bij de horens vatten. Die chaos is als een kudde dolenthousiaste schapen die uit mijn hoofd ontsnapt zijn. Overal rennen ze, schapen van briljante ingevingen, slinkse excuses en onuitgevoerde plannen, terwijl ik als een klunzige herdershond erachteraan struikel. En toch, ergens tussen die wolk van wollige ellende, schuilt de waarheid: mijn werkkamer is een rampgebied. Een chaotische zoo, waarin de papieren rondzwerven als losgeslagen struisvogels die hun kop in het zand steken – met mijzelf als hoofdstruisvogel, dat begrijpt u.
Nu komt het lastigste deel: oplossen. Oplossen, alsof ik een beduusde wasbeer ben die z’n kleine, pluizige poten om een probleem moet vouwen en het netjes wegpoetsen. Ha! Alsof dát gebeurt! Problemen oplossen betekent toch, in al zijn glorie, dat je je innerlijke struisvogelmoed moet verzamelen en je kop uit het zand trekken. De wereld aankijken, recht in de ogen van die ongedisciplineerde chaos staren en zeggen: "Ik erken je! Jij daar, stapel ongeopende brieven! Jij, onuitgepakte doos! Jullie zijn een probleem!"
Maar eerlijk is eerlijk, zodra ik dat doe, komt mijn innerlijke kat naar boven. Ja, precies, de kat die rolt van het lachen, zich uitrekt en op z’n rug draait. Want waarom zou ik moeite doen om die stapel papieren op te ruimen? Net zoals een kat er de voorkeur aan geeft om bovenop de stapel kleren te slapen in plaats van ze netjes opgevouwen in de kast te zien, zo omarm ik mijn chaos. De ziel van een kat heeft zich genesteld in mijn schrijversbestaan: nonchalant, onafhankelijk, en vol van een heerlijk gevoel van 'Laat mij maar.'
Dus hier ben ik dan, de vos in het bos van mijn eigen wanorde, vol bravoure roepend dat ik mijn warboel heus wel kan oplossen. Maar laten we eerlijk zijn: in deze jungle van papieren, kantoorbenodigdheden en dolle gedachten, ben ik vooral de circusbeer die in z’n kooi rondjes draait, met de illusie dat alles op rolletjes loopt.
Enfin, ik moet het onder ogen zien. Om een probleem op te lossen, moet ik eerst erkennen dat er een probleem is. Of ik nu de struisvogel, de kat, of de wijze mier speel, het is tijd om die realiteit stevig bij de vacht te grijpen. Ik zal in ieder geval niet, zoals sommigen, proberen te ontsnappen als een gladde paling in een emmer vol listige uitvluchten.