Over Lijden, Leegte en Leven, naar ‘Vogelvrij’ door Jules Deelder
Boven het water stond ik. Midden op de brug. Het leven dat ik tot dan toe geleden had overziend. Geleden. Ik had geleden. Herinneringen van een blijde vroege jeugd waren overwoekerd door vuistdikke takken van zelfhaat en intrinsiek verlangen naar alles behalve het bestaan.
“Soms, al dromend kan ik vliegen
en al vliegend ben ik vrij”
Ik sprong niet. Ik durfde niet, ik kon het niet. Misschien wilde ik het niet. Misschien was mijn angst voor het niets groter dan mijn angst voor het stoffelijke iets wat de mensen ‘het leven’ noemen. Het zijn. Ik wist niet goed wat het zijn dan precies inhield. Het enige wat me op dat moment herinnerde aan het zijn was de scherpe pijn aan mijn bloedende polsen die ik met een kapot scheermes had opengesneden.
“Niets te willen
Niets te weten
Niets te moeten
dan er zijn”
Even daarvoor stond ik op het station. Wachtend. Niet op een trein. Niet om er voor te springen en niet om er in te stappen. Wachtend op niets, huilend om alles. Het niets was het alles en ik begreep er geen reet van. Het zijn was mijn pijn. Niets leek te kloppen en toch was het met elkaar te rijmen, al was het in een taal die ik niet machtig was. En dat dreef me tot waanzin.
“Onder mij zie ik het stromen
in een zuiver perspectief
Boven mij een onafzienbaar
peilloos diep, onpeilbaar niets”
Stromend water. Stromend traanvocht. Stromend bloed. Stromend verdriet en een eindeloze stroom van afschrikwekkende leegte. Wanneer ik daar boven op de brug mijn leven overzie realiseer ik me iets. Ik realiseer me dat die leegte precies is waar ik op wacht. Dat alles wat ik in me heb in die leegte verscholen ligt. Dat de leegte een vrije schietkans voor open doel is en dat ik die kans ondanks mijn absolute gebrek aan talent voor eenderwelke balsport onmogelijk kan missen. En dat die leegte er niet een is die ik moet vullen. Dat die leegte er een is die ik moet omarmen.
“Soms, al wakend kan ik voelen
als een vogel in mijn droom
Hoe het is om niets te hoeven
en te zien hoe alles stroomt.”













