“Ik kijk liever naar de maan dan naar de mens. De mens, ik word er zo moe van. Dat roepende, smekende, lachende, verlangende, niet wetende, willen wetende, ik hou van jou zeggende, of denkende, op schoenen of op eelt lopende, van de een naar de ander rennende, met sieraden en muziek beklede mens. Ik kijk liever naar de maan die altijd hetzelfde is: onverschillig. trouw. De maan heeft geen woorden nodig om te zeggen: ik ben er en morgennacht ben ik er weer. Misschien zit er een wolk voor, misschien zie je me niet omdat je binnen bent, omdat je binnen naar je dwaze liedjes ligt te luisteren of omdat er tranen voor je ogen zitten, tranen omdat je denkt dat je alleen bent, maar je bent niet alleen, want ik ben er, en gisteren was ik er ook, en morgen ben ik er weer.”