GRAFTAK I
Graftak verschijnt in een hoek van de slaapkamer en duwt me omver. Een homp zwarte deeg met stekels kruipt over mijn benen, richting mijn borstkas. ‘Rot op, Graftak,’ zeg ik. ‘Ik wil mee,’ zegt Graftak. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ga weg.’ ‘Ik wil niet weg,’ zegt Graftak. Hij klemt zich om mijn borst heen. Ik voel mijn gewicht toenemen, mijn maagwand schommelt naar mijn keel. Er tikt iets tegen mijn huig. De grond drukt steeds harder tegen mijn schouderbladen. Mijn knieën veranderen in post-elastieken. ‘Graftak, ga van me af.’ roep ik. Terwijl ik duw, verdwijnen mijn onderarmen in de zwarte brei op mijn borstkas. Alleen mijn ellebogen zijn nog zichtbaar. Stompjes. De homp verplaatst zich niet; hoe meer ik duw, hoe zwaarder ik word. ‘Nu moet je kappen,’ roep ik. ‘Nee,’ zegt Graftak. ‘Ik heb alleen jou.’














