‘Kameraden kameraden,’ zegt een krasse grijsaard luid nadat hij is opgestapt. ‘Overal kameraden.’ Ostentatief wijst de man met een wandelstok naar de verschillende zwartgrijze halve bollen in het plafond van de tram.
   ‘Camera’s, het zijn mijn maten niet.’ Hij zegt het naar degene die wil luisteren. ‘Camera’s in de trein, tram, bus, stations, straten, snelwegen, parken, bibliotheken, zwembaden, in de lift, op uw werk. Met 'facial recognition'. Voor onze veiligheid, staat er soms bij, of: om u beter te bedienen,’ hij gnuift. ‘Is het wel voor onze veiligheid dat er overal camera’s worden opgesteld om alles te registreren?’ Hij kijkt vragend naar mij. ‘Of is het omdat Big Brother 24 op 24, 7 op 7 alles wil registreren om ons in ’t oog te houden.’ Hij knipoogt. ‘1984 was geen handleiding!’ Daarbij hakt hij met de top van de wandelstok op de tramvloer. ‘Bam!’ zegt hij.
   Inderdaad, wat gebeurt er met al die opgeslagen beelden? vraag ik me af. En, belangrijker, wie heeft tot die digitale beelden toegang? Zijn ze wel goed beveiligd of kan elke hacker de digitale gegevens achterhalen?
‘Wie, o, wie,’ zegt de oude man, ‘beschermt ons van Big Brother?’ Blijkbaar hoort hij niet meer goed, want hij praat luid. ‘Wie beschermt ons van de georganiseerde politiekers?’ vervolgt de man, waarna hij gniffelt. Hij is grappig.
   Hij ziet dat hij zijn publiek gevonden heeft, want hij ploft zich neer op het zitje voor mij. ‘Bam!’ zegt hij opnieuw. ‘Camera’s, het zijn mijn maten niet. Big Brother, de zogenaamde regering …’ Hij pauzeert, het lijkt of hij diep nadenkt, zegt dan rustig, stiller: ‘Het is niet dat de kiezers slecht gekozen hebben. Nee nee.’ Hij fluistert het nu: ‘Het zijn de personen die zich verkiesbaar stelden. Daarmee moeten we het doen. Kijk maar naar Trump.’ Op zijn gezicht, een brede glimlach. ‘Misschien moeten wij, het volk, ook camera’s installeren die registreren wat de verkozen leden van de regering doen en laten.’ zegt hij. ‘Dus niet enkel camera’s in het parlement, maar overal waar ze konkelfoezen. O-v-e-ral! En we blazen een wet uit de Griekse oudheid nieuw leven in. Ostracisme!’ dat laatste roept hij. ‘Dat is een wet die voorzag dat elke burger mocht stemmen op politiekers die in ongenade vielen of hun gezag werd gecontesteerd en door die wet konden ze tien jaar worden verbannen. Alsjeblieft!’ Hij klapt daarbij in zijn hand. ‘Moesten we het vandaag de dag toepassen dan zou het volk jaarlijks de politieker die véél te veel noten op zijn zang had tijdens de verkiezingen, maar achteraf vals blijkt te zingen, er onverbiddelijk uit kunnen stemmen. Gedaan met de prutsers. We zouden ons kunnen baseren op politieke strafpunten, elke keer een van de camera’s een politieke overtreding registreert krijgt de politieker in kwestie een strafpunt. En op het einde van het jaar: de afrekening. Bam!’ zegt hij nogmaals.
   De krasse grijsaard staat even vlot op als hij neerzat. ‘Tja, hier moet ik eraf.’ De tram houdt halt aan de bibliotheek.
   ‘De macht ligt dan meer bij het volk!’ roept hij nog vanop het voetpad, zijn wandelstok deinend hoog.
   Eerst dacht ik dat de man dronken was, maar na hem aan te horen blijkt hij enkel dronken te zijn van ouderdom. Of zou dat wijsheid zijn?
Met dank aan Wau Man en Ruben HosteÂ