he wasn't even looking at me and he found me

roma★

Origami Around
2025 on Tumblr: Trends That Defined the Year

Kaledo Art

tannertan36
Cosmic Funnies

Product Placement
Claire Keane
Alisa U Zemlji Chuda
Peter Solarz

pixel skylines
todays bird
No title available
almost home

Discoholic 🪩
d e v o n
art blog(derogatory)
Aqua Utopia|海の底で記憶を紡ぐ

No title available
seen from United States

seen from United States
seen from Australia

seen from Malaysia

seen from Singapore

seen from Malaysia
seen from United States
seen from United States

seen from Malaysia
seen from United States
seen from Türkiye

seen from Saudi Arabia

seen from Canada

seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from Malaysia
seen from United States
seen from Malaysia
seen from Japan
@mevrkeijbets
De basics & Behaviorisme
Theorie:
De basics
Microniveau: Dat wat er in de klas gebeurt Mesoniveau: Niveau van de school. Dit heeft effect op hoe je op microniveau werkt. Macroniveau: Overheid. Dit heeft effect op de school.
3 Groepen:
Lerende: De leerling Instructie verantwoordelijke: Leraar/docent Aktoren: Omgeving/ouders
Didactisch handelen; instructie taak; De taak die je bedenkt. Hoe je de taak gaat overbrengen.
De leeractiviteit: De taak om een activiteit over te brengen op de leerling.(Luisteren, aantekeningen maken, schetsen enz. De leerling aan het werk zetten). Ieder heeft effect op elkaar. De micro-, meso- en macroniveau drukken op de manier waarop les gegeven kan worden.
Ontologie: Dat wat je ziet is waarheid. Epistemologie: Verwerken van kennis.
Kennis leidt tot activiteit -> Ontologie Activiteit leidt tot kennis -> Epistemologie ^Doen is weten
_______________________________________________________________________
Behaviorisme - Cognitivisme - Sociaal constructivisme +/-1950
Behaviorisme
Als kind ben je een onbeschreven blad. Hun vinden dat je bent hoe je bent komt door wat je is aangeleerd. -> Nurtior.
Al het gedrag is aangeleerd.
Leren is het ontstaan van observeerbare gedragsveranderingen.
Je leert alleen als het zichtbaar (voor een ander) is.
Conditionering: Belonen & Straffen
Klassieke conditionering: Stimulus – Respons Operant conditioneren: gewenste gedrag > beloning.
Gewenst gedrag vooral belonen. Negatief gedrag > negeren.
Positief aanpakken.
•Wat is voor de behaviorisme goed onderwijs?
Binnen het onderwijs staat de docent (de bekrachtiger) centraal. Jij als docent bepaalt de opdrachten, doelen, criteria etc. Jij bent verantwoordelijke.
Onderwijs vindt stap voor stap plaats. Na elke stap kan er een beloning plaats vinden. Onderwijs is doel gericht. Als docent formuleer je die doelen. Doelen hebben altijd te maken met observeerbare gedragsveranderingen.
Dit ‘moet’ er dan in zitten:
Lesdoel > Gedrag – leeractiviteit
(bv: aan het eind van de les kan de leerling….)
Kan toevoegen: Tijd – Materiaal – Techniek.
_________________________________________+ Lesdoel
Taxonomie > Het ordenen van leerdoelen
Creëren ^ Evalueren ^ Analyseren ^ Toepassen ^ Begrijpen ^ Herinneren
Lesmodel > Direct instructiemodel
Concreet je lessen vormgeven.
6 fase model:
0. Voor de les. Begin situatie verkennen. Alle gegevens die invloed kunnen hebben op de les weten en vast stellen van de les doelen.
1. De aandachtsrichter. Aandacht van leerlingen krijgen die wel gericht op de les is.
2. De kern van de les. Uitleg, de kern van je les is een goede uitleg geven. Theorie of instructie. 10-15 afwisselen. Actief luisteren, visueel maken van de inhoud. Denk stappen aangeven.
3. Controleren uitleg. Je gaat na of de begrippen/vaardigheden zijn overgekomen. Individueel aanspreekbaarheid. Iedereen krijgt de kans om mee te denken. Er moet sprake zijn van een veiligheid.
4. Opdracht geven ter verwerking/praktijk opdracht. Instructie geven. Het is pas een goede les als ze klaar zijn om het in de opdracht te verwerken. Geef de hoe en wat aan. Ook de beschikbare hulp aangeven. > Wat ze moeten doen als ze niet verder kunnen. Ook aangeven wat met de uitkomsten gebeurt: Het doel + aangeven wat ze moeten doen als ze klaar zijn.
5. Zelfwerkzaamheid. Docent loopt 3 rondes door de klas. Ronde 1 observeer je of ze aan de slag kunnen. Ronde 2 kun je inhoudelijke begeleiding geven. Door bijv. vragen te stellen. Ronde 3 verzamel je info voor de evaluatie.
6. Les evalueren. Verhoogt het leer rendament stil staan bij producten en proces evaluatie. Wat hebben ze gedaan? Maar ook hoe de les verloop ging. Deze evaluatie gebruiken voor de volgende les.
Praktijk:
Behaviorisme Bij deze theorie kwam bij mij als eerste het voortgezet onderwijs op. Hier ga je vaak ook stap voor stap een hoofdstuk aan. Hierna volgt dan een toets of een PTA die als een doel telt voor een leerling. Een goed punt is hier dan de beloning. Als leerling streef je dan voor een punt wat voor jou voldoende is. Zelf herken ik dit streven goed, zelf probeerde ik de stappen en lessen zo goed mogelijk te volgen zodat ik een hoog punt kreeg. Bij de lessen waarbij de lesdoelen duidelijk voor mij als leerling waren, was ook soms het 6 fase model te zien. Hier was de leraar altijd goed voorbereid voor een les en begon altijd de eerste les met het duidelijk maken van wat hij of zij ging behandelen voordat je een toetsing kreeg. De theorie werd altijd met beeld behandeld en er werden veel vragen gesteld aan de klas. Wel was de theorie altijd langer dan 10-15 minuten omdat de stof altijd in een korte tijd behandeld moest worden. Zo ging de les over in het maken van de opgegeven opdrachten, want alles wat je in de les afkreeg was geen huiswerk. Dit zie ik ook als een soort gedrag belonen. Het pakt positief uit voor de leerling. In de les was ook altijd voldoende tijd om vragen te stellen en die persoonlijk te kunnen behandelen. De leraar behandelde vaak ook deze vragen de volgende les om af te wegen of iedereen hier problemen mee had.
Het 6 fase model is een duidelijk model wat je als docent kan toepassen. Het is zowel voor jou als docent duidelijk als voor de leerlingen. Persoonlijk vindt ik de structuur van het model heel fijn en zie het ook goed werken bij lessen. Actief luisteren en 3 rondes lopen in de klas zie ik ook op stage veel gebeuren en probeer ik ook in de lessen toe te passen waar dit mogelijk is. Als docent vindt ik het ook belangrijk om de les te evalueren. Het geeft je inzicht hoe het voor jezelf ging maar ook bij de leerlingen. Zo kun je punten in je les verbeteren en aanpassen aan de klas die je voor je hebt. Hierdoor maak je het voor je zelf en voor de leerlingen een goede werksfeer.
Cognitivisme
Cognitivisme
Theorie:
Informatie is geen kennis als je er niets mee doet
Ze zijn bezig met mentale processen. Psychische processen worden belangrijker maar ook het begrip introspectie komt centraal te staan.
Introspectie: vb. Reflectie. Naar jezelf kijken.
“Hoe werkt dat geheugen? Hoe wordt info verwerkt?”
• Gebruiken info
• Verwerken info
• Ordenen info
Hier stellen ze vragen over het hoofd.
Onderwijs moet bij de Cognitivisme gericht zijn op beide hersen helften. Een combi maken van deze. Zo komt het optimaal onderwijs tot stand.
Prikkels komen terecht in je kort sensorisch geheugen (KSG).
In een proces worden die prikkels geordend en komen ze terecht in je kort termijn geheugen.
De prikkels die relevant zijn (welke prikkels betekenen veel en zijn belangrijk) komen terecht in het werk geheugen.
In je werk geheugen vindt weer een selectie plaats. De prikkels die voor jou als persoon het belangrijkste zijn die gaan naar je lange termijn geheugen.
De begrippen: Assimilatie & Accommodatie.
Cognitivisten zeggen dat je 3 soorten kennis hebt
Declaratieve kennis. > Kennis gebasseerd op feiten “Werkgeheugen”. Stappen aangeven
Procedurele kennis. > toepassen van de feiten “Lange termijn geheugen” Hogere orde van denken, analyseren, evalueren, aantonen, toepassen en vergelijken.
Metacognitieve kennis > Reflectie. Het nadenken over hoe we geleerd hebben “Lange termijn geheugen” Opnoemen, opzeggen, vertellen en beschrijven
Wat betekent dit voor het onderwijs?
Alle 3 komen voor tijdens de lessen. Als je lessen vormgeeft/voorbereidt moet je bewust zijn van de kennis. Anders komt deze kennis niet over en kunnen de leerlingen dit niet toepassen.
Vb. Van juiste les voor cognitivisten
Actief leren: vragen stellen. Laat ze voorbeelden geven. Visueel maken, discussiëren.
Betekenis voor leren: Nieuwe kennis koppelen aan dat wat iemand wel al weet.
Zelf ontdekkend leren: De leerling ordent, selecteert zelf, interpreteert. Zodat de info die zij/hij krijgt bij zijn eigen wereld past. Dit is beter voor de motivatie.
Leren in interactie met anderen: De rol van de docent is toch groot. Hij is de vormgever.
Vb. Van rol docent voor cognitivisten
Onderwijs leergesprek Gesprek tussen docent en student(en). De docent bepaald de centrale vraag, de structuur en geeft de samenvatting. De docent is de vragensteller. Hij stelt alleen vragen die gerelateerd zijn aan het thema waaraan gewerkt wordt. Zowel op lagere- en hogere orde niveau:
Door te vragen stimuleert je het denk proces.
Je kan verschillende invalshoeken aan bod laten komen.
Maakt het denk proces zichtbaar.
Stimuleert het leerproces.
Presentaties verbeteren erdoor.
Praktijk:
Cognitivisme
Reflectie vindt ik heel belangrijk in de ontwikkeling van de mens. Het geeft aan wat je wel en niet hebt begrepen en geeft inzicht op jezelf als persoon. Hoe eerder je leert te reflecteren hoe sneller je het ook gaat toepassen in je leven.
Door de drie begrippen actief leren, betekenis voor leren en zelf ontdekkende leren in gedachten te houden bij het ontwerpen van een les maak je hem beter op voor de leerlingen. Maar ook voor jezelf als docent, je bent zelf goed voorbereid op de les en hoe je de kennis wilt gaan overbrengen op de juiste manier.
Vragen stellen staat zeer centraal. Ook bij de beeldende vakken is dit belangrijk om uit te voeren met de leerlingen. Je zet ze aan het denken over hun werk. Ze kijken beter en willen meer. Dit heb ik zelf ervaren in de lessen op het voortgezet onderwijs. Door jezelf vragen te blijven stellen over je werk en vragen te krijgen vanuit de docent blijf je bezig met je eigen werk. Je kijkt beter naar je werk maar ook naar je zelf als leerling. Je geeft meer een betekenis aan je werk en het motiveert je om werk te maken. Het wordt zo meer je eigen. Op stage probeer ik nu ook meer vragen te stellen over de werken die de leerlingen maken. Als ze denken dat ze klaar zijn, eerst vragen wat ze er zelf van denken en de beeldaspecten naar voren laten komen. De kennis die ze al weten over bijvoorbeeld die beeldaspecten, die wil ik testen bij hun en laten zien dat ze er al mee bezig zijn. Door vragen te stellen over het werk stimuleer je dit en worden ze er bewust van dat ze er ook mee bezig zijn. Je ziet zo ook dat de leerlingen er enthousiaster mee aan de slag gaan, ze willen het leren en proberen ook meer uit.
Sociaal Constructivisme
Sociaal Constructivisme
Theorie:
Kennis is subjectief. Alles wat je leert/kent interpreteer je anders dan andere. Kennis ontstaat door interactie met anderen. Het is persoonsgebonden. Iedereen heeft een eigen denkbeeld van de werkelijkheid. Hierdoor bouwen we allemaal onze eigen kennis basis op. Iedereen ordent, selecteert en waarderen het anders, zo bouwt iedereen de kennisbasis anders op.
Het je eigen beeld vormen, zelf ontwikkelen enz. hoort bij het sociaal constructivisme.
Leren = actief leren.
Er is altijd sprake van een actief leerproces. vb. Voorbeelden geven, vragen stellen, discussiëren enz.
Leren moet altijd betekenisvol zijn. Het moet voor jou van betekenis zijn en moet je kunnen koppelen aan je leefwereld.
Er ontstaat een proces: Assimilatie (Onwetend, je past je eigen wereld aan) > Accommodatie (het proces is al verder)
Leren is cumulatief. Leren moet aansluiten bij de reeds gegeven kennis “Voorkennis”. Hierdoor wordt leren actief en betekenisvol.
Leren is zelf regulerend.
Je stuurt je eigen leerproces aan. “Zelf vragen stellen, zelf verantwoordelijk” Zelf kennis verwerven, kennis op eigen manier verwerven, zelf plannen.
Dit zorgt voor interne motivatie.
Zelf kennis is een belangrijk begrip bij sociaal constructivisme. Leren is altijd gesitueerd en afhankelijk van de sociaal culturele en historische context.
Construct: bouwen > Je bouwt dus nieuwe schema’s op met de kennis die je binnen krijgt.
De strategie
Authentieke leeromgevingen.
Een leeromgeving waar de context relatie vertoond met het beroepenveld (MBO-HBO).
De situatie waarin je leert wordt ook je werkomgeving. Bv. Stage, projecten.
In deze omgeving wordt er samengewerkt in heterogene groepen. Je kan dan van elkaar en interactief met elkaar leren. Je verwerkt je informatie en pas je deze toe (DOEN!). Het doen is het belangrijkste.
Het leerproces is altijd zelfgestuurd en actief.
Instructie strategie Behaviorisme > Direct instructiemodel
Docent sturing
Cognitivisme > Onderwijs leergesprek
Gedeeld sturing
Sociaal constructivisme > Authentieke leeromgeving
Zelfsturing.
Van leertheorie naar instructie strategie.
Praktijk:
Voor mij het belangrijkste van het sociaal constructivisme is het zelf regulerend leren. Leren hoor je voor jezelf te doen. Het is iets persoonlijks en je wilt het belangrijk maken voor jezelf. Dit doe je ook als je een vervolg opleiding kiest. Ik hoop dat leerlingen de keuzes maken die voor hun zelf zijn. Een opleiding kiezen waar ze zelf gelukkig mee worden. Helaas is dit niet altijd het geval. Doordat ik zelf van een MBO kom zie ik ook goed dat het doen het belangrijkste is. Je leert pas als je het doet, je ervaart het meer en leert je van omgeving. Het is belangrijk om te zien hoe het in een werkomgeving aan toe gaat en wat iemand te wachten staat. Door het te doen is je interne motivatie ook sneller actief. Je bent geheel voor jezelf aan het werk. Je maakt als het ware een eigen plan. “Leren moet altijd betekenisvol zijn.” Deze zin is belangrijk voor leerlingen om te weten. Je kan het zo ook koppelen aan je leefwereld. Dit leren maakt je uniek als persoon. Je bent je eigen en dat is positief. Je ontwikkeld je geheel op de manier die voor jou het beste werkt en laat zo je eigen kunnen goed zien.
Op een MBO heb ik ervaren dat je snel kan zien hoe het er op het werkveld aan toe gaat. Ik startte in het tweede leerjaar al met opdrachten van klanten en voerde die uit met een deadline. Zo ervaarde ik al vroeg hoe het werken als grafisch vormgever er aan toe zou gaan. Het liet me zien waarom ik deze opleiding gekozen had en hoe ik mijzelf als persoon kon ontwikkelen om sterker te staan achter mijn werk. Op stage ervaar je dit nog meer. Je leert hierbij van schoolgenoten en van je stage begeleiders. Wat je wilt leren leer je.
Hogere orde denken
Theorie:
Metacognitie + Problemsolving is ook een vorm van hogere orde denken. Beide vormen van zelfregulerend leren. Denk aan sociaal constructivisme en het Cognitivisme. Het past bij beide.
Metacognitie:
Het denken over je eigen denken bijvoorbeeld reflecteren. Je krijgt zicht op je sterke en zwakke kanten.
1e niveau > Persoon
2e niveau > Taak
3e niveau > Strategie
Persoon: “Ik ben goed in…” “Ik ben zwak in…” Dit geeft inzicht in jou eigenschappen en sterke en zwakke kanten. “IK”
Taak: Inzicht krijgen in het omgaan van verwerven van kennis. “Zeer compacte teksten zijn moeilijk te verwerken.”
Strategie: Kennis verwerken over de strategieën die je helpen om bepaalde doelen te bereiken.
Je kan andere erbij betrekken bij je zelfregulatie. Zelfreflectie kan samen met anderen door de juiste vragen te stellen. Hoe kun je dit toepassen in je les? min. IQ van 80 is nodig om abstract te kunnen denken.
Problemsolving: Praktisch goed toe te passen in ons vakgebied. Bestaat uit 4 stappen:
Probleem begrijpen
Plan ontwerpen
Plan uitvoeren
Plan evalueren
Je zou door die stappen tot een oplossing van je probleem moeten komen.
Probleem oplossing heuristiek.
Combineren taal met beeld. Je lost zelf problemen op door actief met de leerstof bezig te zijn (Sociaal constructivisme), het wordt gevisualiseerd met illustraties (Cognitivisme).
Deze kun je gemakkelijk toepassen in je stage.
Feedback
Kun je koppelen aan de leertheorie van het behaviorisme. Feedback is een vorm van bekrachtigen.
Terugkoppeling Je geeft feedback gericht op het stimuleren van het leerproces. Feedback is altijd gericht op gedrag (en het effect ervan op jou) en niet op persoon.
Feedback is belangrijk op dat zelfregulerend leren.
Feedback < Feed up ^ Feed forward >
Feedup: In welke mate bereik ik de doelen? Relatie leerdoelen. Feedback: Hoe heb ik het tot nu toe aangepast? Feedforward: Wat kun je het beste als vervolgstap doen?
Context is de verhouding tussen opdracht en de leerdoelen.
De niveau’s:
Taak > Correctieve feedback
Proces > Het waarom/hoe?
Zelfregulatie > Hoe kun je leerlingen de taak aanpakken
Persoon > Feedback over de leerling. (Gedrag; IK) “Je bent een goede leerling”.
Praktijk:
Hogere orde denken & Feedback
Het kennen van je sterke en zwakke kanten is goed voor je eigen ontwikkeling. Zowel persoonlijk als op school. Inzicht over je kunnen kan je helpen bij het verwerven van kennis. Je bereikt doelen die je zelf of anderen stellen op je eigen manier. Feedback is hierbij belangrijk om te geven en te krijgen. Als docent geef je eigenlijk constante feedback aan je leerlingen. Zowel persoonlijk als klassikaal. Je laat zien en beargumenteerd je opdrachten, je laat zien hoe een leerling een opdracht kan aanpakken en geeft feedback op het gedrag van een leerling. Deze dingen kan een leerling motiveren. Als docent geef je de relatie van de doelen aan (feedup), de leerling past dit toe op zijn manier (feedback) en hieruit kies je een vervolg stap (feedforward). Het is een proces die je als docent aangaat met de leerling. Als docent doe je dit in context met het les doel en de leerlingen met hun leerdoel. Het is een constante cyclus die doorgaat in de lessen en die belangrijk zijn als docent om die te begrijpen. Het 4 stappen plan:
1. Probleem begrijpen
2. Plan ontwerpen
3. Plan uitvoeren
4. Plan evalueren
Is een makkelijk plan die we als docenten en als leerlingen kunnen toepassen om een probleem effectief te kunnen oplossen. Dit kan je bijvoorbeeld ook samen met leerlingen op stage of later op werk doen om ze te leren hoe ze om kunnen gaan met een probleem. Het geeft ze inzicht op wat het probleem is en hoe ze het op een effectieve manier kunnen oplossen. Een stappenplan maakt het voor hun ook makkelijker iets te begrijpen.
Feedback
Motivatie
Theorie:
Interne en externe motivatie
Interne: Drive, komt vanuit jezelf. Je ziet het doel sneller > hoger doel
Externe: > School > Cijfer > Werk > Geld
Externe motivatie is prominent aanwezig in het school systeem. Dit zit in de weg van de interne motivatie.
Motivatie is altijd in relatie tot een doel. Motivatie is gedrag gericht op een doel.
Krachten en invloeden kunnen je doel “vertragen”. Ze zorgen voor een gedrag (kenmerken) die je vertoond/ lokken uit tot de relatie van het doel.
Het is een cyclus > negatief beïnvloed de krachten nog meer.
Self destroying prophecy
Als docent kun je positieve energie in brengen bij de krachten. Licht de succes ervaring uit bij de leerling.
Koppelen met het Behaviorisme >
Thorndike
Law of effect Gedrag wordt sneller vertoond als er een positieve reactie op volgt. > operant & klassieke conditioneringen.
The law of readyness Wanneer je er klaar voor bent om een bepaald gedrag te vertonen is de kans dat je dat gedrag vertoond groter.
Arousal theory
Perceptie > gedrag en interne reacties > gevoelens.
Waarneming > lokt gedrag uit > gevoelens
Vb: toets moeilijk > ziet een ander werken > zenuwachtig/bang enz. Praktijk:
Les 5 + les 6
Motivatie
Externe motivatie zie je veel meer dan interne motivatie. Toch zie je dat bij het veranderen van de generatie een voorkeur komt voor interne motivatie. Jongeren kiezen vaak voor een doel wat voor hun zelf belangrijker is dan bijvoorbeeld geld verdienen, of een opleiding die gericht is op interesse en niet op het vinden van een baan.
Op scholen is het nog steeds heel gericht op externe motivatie en niet de interne motivaties van de leerlingen. Op stage vragen leerlingen vaak aan mij of ze het voor een cijfer maken of waar de docent op gaat letten. Ook vragen ze als ze hun werk laten zien of het wel een voldoende waard is. Zo zie je dat ze het alleen voor het cijfer aan het maken zijn en niet om hun creativiteit te uiten. Dit is jammer want ze hebben allemaal talent alleen maken ze het alleen omdat het moet. Ze ontwikkelen zo minder hun interesse of zien niet snel in dat interne motivatie belangrijk is bij hun werk. Als docent wil je graag horen dat je het uit zichzelf willen doen en waarom zij de keuzes maken die anders zijn dan de anderen.
Het doel staat vaak teveel vast en leerlingen denken niet dat ze hier met hun eigen ideeën tussen kunnen komen. Als docent kan je op die interne motivatie inspelen door er een positieve reactie te laten zien. Je kan het ook zo stimuleren binnen een klas, “zo kan het ook…” “je bent vrij om je eigen ideeën in te brengen..”. Zo kijken de leerlingen op een positieve manier naar elkaar.
Toch kan dit volgen hebben op de motivatie. Het kan namelijk ook negatief naar boven komen doordat leerlingen zich met andere vergelijken. Vaak hoor je ook de termen “hij heeft het zo mooi gemaakt en dat van mij is gewoon lelijk” op stage, waaraan je kan zien dat ze nog veel naar elkaar kijken en hun eigen kunnen niet zien. Als docent kan je bij iedere leerling hun positieve kanten uitlichten zonder iemand zich er slecht over te laten voelen. Dit door positieve feedback uit te lichten. De feedback van een docent is en blijft belangrijk voor een leerling dus het is belangrijk om hier op in te spelen om zo het beste uit een leerling te krijgen.
Met de leerling zou je de attributietheorie kunnen bespreken en laten zien dat meerdere prikkels mee spelen op je motivatie (succes en falen). En dat dit niet negatief is maar positief. Het lijkt mij dat zo elke leerling zichzelf zo meer leert kennen en leert dat dit goed is. Je leert voor jezelf en wilt die interne motivatie vinden.
Hedendaagse kijk op motivatie
Theorie: Motivatie en de kijk van nu hierop.
Wat je motiveert is cognitief.
Believes - Opvattingen
Thoughts - Gedachten
Selfrepresentations - Zelf representaties
Interesse en Affect (gevoelens)
Jou motivatie wordt op een interne manier gestuurd door deze 5 begrippen.
Jou (als docent) waardering (feedback) die is van invloed op de gedachten en gedrag van een leerling. Er is meer aandacht voor sociale context en sociale omgeving, deze hebben ook invloed op de motivatie. Een les volgens het directe instructiemodel heeft een ander motivatie effect dan een ander model die de leerling meer laat doen. Jij als docent kan de motivatie beïnvloeden. Door defrinsieren en maat werk (Persoonlijke begeleiding) aan te bieden. Je biedt zo ruimte voor dat het voor iedereen betekenisvol is.
Het referentie kader van de leerling speelt ook een grote rol tegenwoordig. Iedere situatie ga je aan met de ervaringen die je al hebt (in een soort rugzakje). Dingen zoals: Cultuurkenmerken, geslacht, economisch en situatie thuis hebben invloed.
Attributietheorie.
Hier ga je eigen redenen achter halen voor je eigen succes en falen. “ik kan dat niet…” “Teveel opgegeven…” enz.
Praktijk:
Deze heb ik gekoppeld met de praktijk van les 5: Motivatie.