De hoofdstad is geraakt in het hart. En de buik gromt.
Ach, Brussel. Hoe vaak heb ik je al niet moeten verdedigen?
Voor 1 op de 10 Belgen ben je een thuis, voor de andere 9 lijk je wel een ongebruikte zolder, of een kelder vol gevaarlijke spoken. Een werkplek waar geen weekend is. Een vervelend verkeersinfarct.
Een bevreemdend buurland.
Hoe is het daar? Woon je daar nu graag? Wat gebeurt er toch allemaal in dat Brussel?
Hoe vaak heb ik je al niet moeten verdedigen? En waarom laat ik me er altijd toe verleiden? Het zit diep.
Letterlijk: het zit aan de binnenkant. Het is pas als je buiten Brussel komt, dat je haar stekels ziet. Dat je voelt hoe snel men zich aan haar scherpe kantjes snijdt. Hoe verblindend het licht is, dat niemand ziet.
Hoe vaak veinst men interesse als men naar je vraagt?
Groot lijkt de nood, om Brussel te straffen – dreigend de drang, verfijnd het venijn. Er blijkt ook echt haat mee gemoeid, haat om haar dualiteit, haar onbestuurbaarheid (die als lelijkheid ervaren wordt, en niet als temperament), en vooral: haar inefficiëntie.
Soms kom ik ook niet veel verder dan een verveelde toegift, een zucht in de richting van het eindeloze gezeur. Want, bon, soit, ja ja, het is allang goed: ze snijden zéker hout, al die meningen over de rotzooi, die moet worden opgekuist, het commentaar is ongetwijfeld terecht, proficiat. En ja, objectief, en onpersoonlijk, zal het allemaal wel kloppen. Maar waar men geen rekening mee houdt (en nu wil ik even filosofisch doen): objectiviteit is, na fictie, de grootste fabel. Objectiviteit, althans in de politiek van het dagelijkse leven, is de som van alle subjectiviteiten (sic) – subjectief heet de waarheid van de minderheid. En in Brussel zijn er alleen maar minderheden.
(Efficiëntie is het eeuwig droombeeld. Een nieuw opium.)
De sociale, en de asociale, media krijgen dat allemaal niet zo makkelijk gecommuniceerd, en dus blijft dat halverwege hangen, tussen de twee waarheden van links en rechts in, tussen ettiquette en oppervlakkigheid. De vraag is wié je daarvoor verantwoordelijk kan houden. En of dat wel moet.
Niemand verplicht je. Je kan het gerust allemaal naast je neerleggen. Je kan ons negeren. Je moét helemaal niet trots zijn op je enige grootstad, je moét niet al je zuurverdiende spaarcentjes blijven doorpompen naar je belangrijkste internationale merk; je mag haar voordelen gerust negeren – je hoeft je daar niet voor te schamen. Zelfs na al je gesnauw zal je medeleven welkom zijn.
Maar je treiterige medelijden niet.
Denk je echt dat Brussel zichzelf nu in de voet geschoten heeft? Is deze stad haar eigen grootste slachtoffer?
Denk eens na: de enige reden dat wij voor fanatiekelingen een doelwit zijn – ja: wij hier, niet jullie ginder – heeft maar één échte reden. Laat de geopolitieke analyses maar voor rekening van de politici, laat de factchecks maar aan de journalisten (zij hebben daar kranten-koppen voor) en het clickbait aan de marketeers en demagogen; de reden waarom wij in Brussel aangevallen worden, is pijnlijk simpel. Het is het feit dat wij hier zo kwetsbaar zijn.
Wij moéten wel kwetsbaar zijn. Dat is ons leven hier. Wij leven dichtbij, naast en door elkaar, met onze kleinste en grootste verschillen als constante pijlen naar een volgend conflict. Wij moeten ons elke dag, ook straks, en ook morgen, onder elkaar begeven. Wij worden continu met elkaar geconfronteerd. Dat is kwetsbaarheid, die, zoals je weet, de voorwaarde is voor elke betekenisvolle relatie.
Brussel heeft het meeste betekenis van allemaal.
Als ik even tot een rare bekentenis mag overgaan: ik denk dat ik minder aangeslagen ben door deze aanslag, dan door eerdere. Niet boos worden! Ik wil daar een verklaring voor formuleren. (Ik voel véél verdriet voor wie verwond is, of verdwenen. En hoe vergelijk je dat soort trieste angst?)
Want intuïtief klopt het natuurlijk niet: ik had er makkelijk bij kunnen zijn. Ik gebruik de luchthaven vaak (al te vaak), net als mijn vrienden; ik passeerde Maalbeek jarenlang tweemaal daags – ik heb meer dan één keer op het precieze metrostel gezeten dat vernield is, kán niet anders –, ik ken ook mensen die daar werken, voor de EU en haar tentakels; de helft van mijn collega’s passeert daar nu nog, elke werkdag van de week. Voorlopig lijk ik niemand te kennen die erbij was, dus we zijn door het oog van de naald gekropen.
Maar volgens mij ligt de verklaring hierin, dat de afstand tussen Brussel en Parijs gewoon kleiner is dan je zou denken. Zij zijn elkaars virtuele voorsteden. De aanslagen daar waren al aanslagen hier. En omgekeerd. Zoals ook Londen en Madrid ons nauw aan het hart liggen, zoals we er ook daar net zo goed hadden bij kunnen zijn. En natuurlijk zijn er nóg...
Bij uitbreiding: uit elke door terreur getroffen stad zijn er wel mensen afkomstig die in Brussel wonen. Mijn buren worden, met andere woorden, al jaren getroffen. Ginder of hier maakt niet uit. Sowieso niet, maar in Brussel is dat gewoon extra zichtbaar. Alle verdriet van de wereld heeft hier een plaats, of kan er toch één vinden. Portes ouvertes. Elke beledigde moslim heeft een broeder in mijn tram, mijn gemeentehuis, mijn park. En elke weduwe een zuster.
Dus alle opiniemakers die schrijven dat de terreur “nu ook hier” is, vraag ik: wat betekent dat eigenlijk? Wordt het geen tijd dat je beseft wat we in Brussel al een tijdje zouden moeten weten?