Terugblik van een oude student
Oh schoon verdwenen lentetijd! Ik hoor mijn hart soms klagen. Dan wil het terug vol jeugdigheid lindenmeisjes behagen. Dan droomt het de oude droom van toen en wil het morgen beter doen. Och gere, ‘t doet zo zere. Wanneer ga ik het leren?
Zwierig danste ze zwoel geurend rond. Zo vruchtbaar haar gewelven. In de lentezon is waar ze vond het lief kind in zichzelve. Bewonderend sprak mijn hart dichtbij. De zoen was echt en de zon nabij. De liefde uit onz’ dromen was waar en welgekomen.
Een gezichtje brons van fijne snit, karakter vol en sprekend, had oogskens glanzend en vol van pit, die droomden maar nooit smeekten. De droom zette ons op dezelfde weg, al was die kort, ze was toch recht. Lieve meid, na al ons dromen: Wat is het ver gekomen.
Want op zekere dag had het meiske schoon genoeg van al haar dromen. En zocht bij luide man gewoon eens beestig klaar te komen. Mijn hart verscheurd, het schreeuwt en bloedt, bij het leed wat zich mijn lief aan doet. Wat zoek je daar mijn blonde? En heb je het ook gevonden?
Geen reden meer om mooi te zijn. De lente is lang over. Mijn dromend hart verstomd door ‘t brein. ‘t Is herfst en zonder zomer. Zwierige dames zijn verleden tijd en het tranendal dat is een feit. Maar nog droomt mijn hart in stilte van warmte en geen kilte.