se·ren·di·pi·teit
1. door toevalligheden en/of intelligentie iets te ontdekken waar je niet naar op zoek was

seen from United Kingdom
seen from Italy
seen from United States
seen from United States

seen from Malaysia
seen from Netherlands
seen from Australia
seen from India
seen from Türkiye

seen from Sweden
seen from Poland

seen from China
seen from China

seen from Germany

seen from Russia
seen from Türkiye
seen from United States
seen from Australia

seen from Colombia

seen from Poland
se·ren·di·pi·teit
1. door toevalligheden en/of intelligentie iets te ontdekken waar je niet naar op zoek was
Lummeltijd
Hard werken is goed, vinden we in Nederland. Ondernemers en artsen scheppen op over het aantal uren dat ze vorige week hebben gewerkt. Als iemand vraagt hoe het met je gaat, kun je het beste “druk, druk, druk” antwoorden. Want wie het niet druk heeft, die is niet belangrijk. Of in ieder geval niet succesvol. Afspraak maken? Over vier weken heb ik wel een gaatje. Want stel je voor dat je zomaar vandaag of morgen ruimte in je agenda had gehad. Dan was er blijkbaar niet veel vraag naar jouw diensten.
Er was een tijd dat dit gedrag in ieder geval nog een economische logica had. In het industriële tijdperk gold: meer input is meer output. We draaiden ploegendiensten, om de dure machines optimaal te benutten. Inklokken en gaan met die banaan. Pauzes waren tot op de minuut in de cao vastgelegd. We werkten uiteraard in de fabriek. Waar anders? Later werden de fabrieken kantoren, maar we bleven naar het werk toe reizen. We moesten nog steeds allemaal tegelijk op dezelfde plek zijn. We deden nog steeds herhalend werk. Meer input is meer output.
Maar inmiddels doen we in grote meerderheid min of meer creatief werk. We staan niet meer aan de lopende band. Als we in loondienst zijn, worden we beoordeeld op onze output, niet op onze input. Als we zzp’er zijn, bepalen we zelf wanneer we werken en wanneer we vrij zijn. Als de zon schijnt gaan we naar het strand, en websites maken kun je ook vanuit Thailand. En dat is goed, want creativiteit laat zich niet dwingen. Creativiteit heeft lummeltijd nodig. Tijd waarin je niet actief aan het nadenken bent, maar waarin je hersenen op de achtergrond, in hun eigen tempo, de puzzelstukjes op hun plaats leggen. De beste ideeën krijg je immers onder de douche, of tijdens een boswandeling.
Ja ja, het zal wel. Maar waarom zit de CoffeeCompany dan door de week vol met van die MacBook-jongens en -meisjes, en in het weekend niet? Waarom worden de ochtend- en avondspits nog steeds drukker? En vooral: waarom vinden we het nog steeds zo belangrijk om het druk te hebben? Onze hoofden leven dan wel in het creatieve tijdperk, maar ik ben bang dat onze gewoontes nog grotendeels in het industriële tijdperk vastzitten. We zouden meer dan ooit baas over onze tijd kunnen zijn, maar we hebben dat nooit geleerd. Onze hele jeugd hebben we geleerd om goede fabrieksarbeiders te worden. Allemaal tegelijk op een vaste tijd op een vaste plek zijn en doen wat de baas zegt. En vooral niet lummelen.
Er zijn inmiddels consultants die je leren lummelen. “Zet eens een paar lummel-uren in je agenda,” zeggen ze dan. Of: “Geef je medewerkers een paar uur per week om aan eigen projecten te werken.” Dat is natuurlijk lummelen op amateurniveau. Lummelen omdat het moet. Voor het echte lummelen heb je geen consultant nodig, en ook geen toestemming. Gewoon doen. Lummeltijd is je eigen tijd, want eigenlijk is alle tijd je eigen tijd.
Dit stuk verscheen eerder in NoordZ, de maandelijkse ondernemersbijlage bij het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant.
Hondenweer. En dus is er geen kat op straat. Toch?
Niet zo in Detmolt in het Duitse Noordrijn-Westfalen. Daar regende het afgelopen maandagochtend (en maandagmiddag en maandagavond en dinsdagochtend en…) oude wijven en toch waren de centrumstraten vol mensen. Het stadje bleek dus de ‘regentoets’ met glans te doorstaan en ik vroeg mij af waarom.
Het antwoord lag, zoals zo vaak, gewoon op straat. Of toch daar in de buurt.
Om te beginnen was er de beschutting. Behalve dat mensen over paraplu’s bleken te beschikken (een uitvinding die in geschiedschrijvingen van onze mobiliteit systematisch over het hoofd wordt gezien), was ook de stad zelf voorzien op regen: er waren arcades, afdaken, luifels en daken die eenvoudig overhingen als de randen van een hoed – simpele dingen, maar wel dingen die op dagen als deze het verschil maken tussen nat en droog.
Dat gold overigens niet alleen voor het hoofd, maar ook voor de voeten. Het stadscentrum bleek te beschikken over een efficiënt afvoersysteem van overtollig water en over comfortabel, effen plaveisel waardoor plasvorming tot een minimum werd beperkt.
En voor zich iemand het hoofd breekt over wat er tussen hoofd en voeten zit: ook daar zat het snor, dankzij de loutere afwezigheid van auto’s en dus van opspattend water.
Maar alleen met een droogtegarantie krijg je natuurlijk nog geen volk op straat. De belangrijkste factor is natuurlijk: een omgeving die boeit. Mensen moeten een reden hebben om de regen te trotseren.
Nu, die waren er in het historische centrum van Detmold in overvloed: een breed pallet aan kleinhandel (weinig of geen ‘ketens’, kleine percelen en dus een snelle ‘afwisseling’, een hoge graad van serendipiteit), gezellige café’s en eetgelegenheden met parasols die zomaar groepsparaplu’s werden, vage grenzen tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, gedetailleerde gevels.
Maar ook dat zou nog niet voldoende zijn om mensen behalve ‘moet’- ook ‘wens’-verplaatsingen te laten maken. Detmold gooide dus nog wat extra’s in de schaal: korte afstanden van de frequent bediende bus- en tramhaltes en de randparkings tot het winkelcentrum en een grote fijnmazigheid voor voetgangers: kleine bouwblokken met veel doorsteekjes, een doorwaadbaar park, wisselende perspectieven, een flinke scheut groen en hier en daar een monument of een kunstwerk – ook dit alles is niet spectaculair, maar wel bepalend voor het onderscheid tussen een stad waar je wil zijn en één waar je alleen maar moet zijn.
En toch was met dit alles de code nog niet helemaal gekraakt. Hoe kon het immers dat ondanks het grauwe weer de stad en dus ook de mensen – of was het andersom? – toch vrolijk bleef?
Het was mijn eega die het raadsel ontsluierde: dankzij het gebruik van lichtgekleurde materialen bleef Detmold zelfs op donkere dagen als deze nog stralen.
In het centrum dan toch. Vanaf de binnenring rouwde het asfalt als overal elders. Maar gelukkig was er daar dan weer het opspattend water van het autoverkeer, zodat je er niet te veel op kon letten…
Over honden, katten en mensen Hondenweer. En dus is er geen kat op straat. Toch? Niet zo in Detmolt in het Duitse Noordrijn-Westfalen.
Innoveren is een feestje
Normaal gesproken vind ik overheidssubsidie voor innovatie niet zo’n goed idee. Innovatie is een slordig proces van vallen en opstaan, van toevallige vondsten en van soms koppig volhouden en soms juist niet. Het is een proces dat zich slecht verhoudt met de wereld van subsidies: de wereld van projectplannen, SMART doelstellingen en vooraf vastgestelde indicatoren. Voor je het weet zijn ondernemers meer bezig met de subsidievoorwaarden (anders moet het geld terug!) dan met hun product.
Maar onlangs stuitte ik op een programma dat wél ergens op slaat. Het heet Innofest en het is een samenwerking tussen acht noordelijke festivals, van Oerol tot het TT-festival. De festivals bieden ondernemers een field lab voor hun innovaties, en de noordelijke provincies leggen daar wat geld bij voor organisatie en logistiek. De gedachte hierachter is simpel: een festival is een tijdelijke “maatschappij in het klein”. Er moet van alles gebouwd worden en na een paar dagen weer afgebroken. Van sanitair en energievoorziening tot een betaalsysteem. Dus waarom zou je niet kijken of het slimmer kan dan anders? En op een festival is iedereen in zijn beste humeur, dus er mag best eens iets mis gaan.
Het idee is niet nieuw. Hét voorbeeld van de tijdelijke maatschappij is Burning Man. Daar is de tijdelijke stad, die een week lang in de woestijn van Nevada staat, in wezen zelf het festival. En in Nederland organiseren Martijn Aslander en kornuiten al meer dan tien jaar het Permanent Beta Festival in de Drentse bossen. Andere schaal, zelfde principe. Deze twee voorbeelden laten nog een bijzondere kant van festivals zien. De bezoekers zijn heel divers, maar op één aspect komen ze overeen en dat aspect brengt ze niet alleen tijdelijk samen op dezelfde plek, maar maakt ook dat ze een gemeenschap vormen. Ze praten met elkaar, gunnen elkaar wat, doen samen dingen - terwijl ze elkaar een dag eerder nog niet kenden. Ook dat is heel belangrijk voor innovatie. Het maakt kruisbestuivingen en nieuwe combinaties mogelijk; volgens veel deskundigen is dat zelfs de essentie van innovatie.
Kortom, supergoed idee, dat Innofest. Op het eerste gezicht is het dan ook prachtig dat Innofest deze zomer een flinke Europese subsidie heeft gekregen om haar werk uit te breiden. Maar er is ook een gevaar. Europees geld betekent ook: meer kaders, meer meetbare doelstellingen, meer administratie, meer verantwoording. In het slechtste geval richt ook Innofest zich straks uitsluitend op de “noordelijke speerpunten” (energie, water en nog iets waar Drenthe goed in is maar waar ik niet op kan komen). Hopelijk weet Innofest deze valkuilen te vermijden en blijft er genoeg ruimte voor onverwachte ontmoetingen, neue Kombinationen en serendipiteit. Dan kan innoveren echt een feestje worden.
(Voor de openheid: ik heb zelf van Innofest gebruik gemaakt om een idee voor een sociale verzekering te testen.)
Dit stuk verscheen eerder op de site van RTVNoord.
Een lezerstraal
In mijn vorige blogbericht was ik streng voor Lelystad – of toch voor hun caleidoscopische stadstheater. Maar u kent de traditie: we gaan in crescendo. Vandaag dus een goed woordje over de bib van Lelystad. Een superlatiefje dan nog wel: het is zowat de knapste bibliotheek die ik ooit zag – en ik zag er toch al wel wat in mijn leven. Volgens de stadsgids is deze bib ‘ingericht als een…
View On WordPress
Serendipiteit
Studium Generale - 01 oktober 2015
Vanaf de eerste lessen op de academie is ‘toeval’ een onderwerp van gesprek. Het toelaten van toeval, het opzoeken ervan en in hoeverre dat mogelijk is, het omgaan met materialen, het paradoxale van toeval en de mogelijkheden om dingen te ‘laten ontstaan’ zijn voorbeelden van hoe deze gesprekken vorm gekregen hebben en nog steeds krijgen. Hiermee wil ik aangeven dat de term serendipiteit wel degelijk relevant is binnen de beeldende kunst en het huidige autonome kunstonderwijs aan onze academie. Het voorbereidende en slimme dat volgens Wikipedia nodig is om daadwerkelijk ontdekkingen te doen aan de hand van toeval wordt dus zeker serieus genomen en ontwikkelt.
Nu, in het vierde jaar van mijn studie, is het ‘Serendipiteit’ thema van het jaarlijks gehouden Studium Generale. Nieuwsgierig begeef ik mij naar de eerste plenaire lezing. Hieronder volgt een samenvatting van deze lezing die werd gegeven door Sebastian Olma, lector Autonoom Maken in kunst en ontwerp.
''Serendipiteit is het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders.
Het woord werd geïntroduceerd in het Engels door Horace Walpole in de 18e eeuw, in een brief waarin hij het had over een verhaal dat hij had gelezen, het Perzische sprookje De drie prinsen van Serendip (Serendip is een oude Perzische naam voor Sri Lanka). Het verhaal is eigenlijk geen goed voorbeeld van wat we nu onder serendipiteit verstaan: het is eerder een voorbeeld van inductie. In die context verwijst serendipiteit naar het vermogen van een alerte geest om uit toevalligheden conclusies te trekken. Anders gezegd: slimme, voorbereide mensen zijn beter in staat om daadwerkelijk ontdekkingen te doen aan de hand van het toeval.'' [bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Serendipiteit]
Aangevuld met de aansporing om de tentoonstelling ‘Zero: let us explore the stars’ in het Stedelijk Museum Amsterdam te gaan bekijken en gebruikmakend van Zero als voorbeeld werd een beeld geschetst dat inging op de vragen ‘’Wat heeft serendipiteit te maken met kunst?’’ en ‘’Hoe heeft het dan te maken met kunst?’’.
Nu begrijp ik dat bovenstaande diende als inleiding op het Studium Generale en het voor volgende sprekers wellicht onhandig is om alle eventuele antwoorden op vragen hierover te geven in de eerste lezing van een tweedaags evenement. Toch voelde ik mij als vierdejaarsstudent die naar een lezing van een lector luistert, niet echt serieus genomen. Ben ik hier alleen om de officiele term voor ons leren, spreken en denken over toeval en ontdekkingen in het werk te weten te komen? De inhoud ervan en hoe dit in een beeldend werkproces zijn plaats kan krijgen staat mij namelijk al een tijdje vrij helder voor ogen. Er moet meer achter zitten, er moet een diepere of bredere inhoud aan dit begrip hangen. En misschien kunnen de volgende sprekers mij daar meer over vertellen.
Paul Bogaers, beeldend kunstenaar en fotograaf, spreekt over zijn werkmethodes vanuit het begrip serendipiteit. Hij gebruikt het woord ‘toeval’ veelvuldig terwijl hij ons in een uur tijd uitlegt hoe hij het toeval opzoekt in zijn werk. Hieronder volgt een opsomming van wat ik daarvan meegekregen heb:
- Omring je met veel materiaal. Het materiaal moet beschikbaar zijn en dat is het als het fysiek aanwezig is. Het is fijn als het materiaal anoniem is zodat je het je kunt toe-eigenen. - Fotografeer dat wat je opvalt met een zo simpel mogelijke camera. Als de camera geen zoeker heeft, geef je daarmee het toeval een grotere kans. - Combineer je materialen, laat ze bij elkaar komen. Zo kan binnen de beelden een verhaal ontstaan. - Laat je leiden door je intuïtie, keuzes die je maakt qua materiaal en compositie baseer je op de mogelijkheden die je in het materiaal ziet en gaandeweg het proces wordt vanzefl duidelijker welk materiaal je kunt gebruiken/wat nodig is. Het voorgaande materiaal wijst hierbij de weg.
Een heel groot gedeelte van wat Bogaers vertelde was voor mij zeer herkenbaar binnen mijn eigen werkwijze en ergerde ik mij aan de algemeenheid en de vanzelfsprekendheid ervan. Teleurgesteld in mijn verwachtingen over inhoudelijke verdieping van het thema verliet ik de zaal. Er was nauwelijks gesproken over het het waarom van bepaalde materiaalkeuzes, keuzes in beeld en de voorwaarden voor het maken. Vragen, die wel naar boven komen en gesteld worden bij het bekijken van dit soort beelden. En die ik, over mijn eigen werk, met woorden heel moeilijk te beantwoorden vind. Is het stellen van deze vragen dan wel zo belangrijk? Zijn ze niet veel vaker een afleiding van wat werkelijk nodig is om te maken? Ik realiseerde mij op dat moment, dat ik iets onmogelijks van de spreker verwachtte. Als onderdeel van een studie zie ik ze als begrijpelijk, en een belangrijke fase om doorheen te gaan. Maar ze zullen nooit een correcte verwoording kunnen opleveren van het onbenoembare van de noodzaak die het beeldende werk in zich draagt. Die noodzaak kan zich alleen laten kennen in het steeds weer ontstaan van nieuw beeld.
Ondanks het feit dat ik voor de aanvang van het Studium Generale niet wist dat het woord ‘Serendipiteit’ toeval als kern van zijn betekenis had, heb ik de inhoud ervan en welke plek het kan hebben in het werkproces van een beeldend kunstenaar mijzelf in de afgelopen jaren op de academie in zoverre eigen gemaakt en bevraagd dat het volgen van de bovenstaande twee lezingen mij hierin helaas niet veel verder heeft kunnen helpen. Hierna de conclusie getrokken hebbende dat verdere lezingen hierover op dit moment een verspilling van tijd zijn heb ik besloten het toeval op te zoeken en verder aan de slag te gaan in het atelier.
Serendipiteit
is het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders.
TED heeft nu playlists. Dat zijn verzamelingen van TEDTalks samengesteld door TED zelf of door gasten als Bono of Glenn Close. Ook fijn van TED is overigens surprise me, maar dat bestond al een tijdje.
Ik ben altijd te porren voor websites die serendipiteit bevorderen en dit zijn twee opties die dat doen. Erg fijn.