toen het drie uur snachts was, iedereen sliep en ik opeens alles vertelde. alles wat in me zat, alles wat ik had. hoe jij mijn handen vastpakte aan de eettafel, die de groot voor ons was. je ogen rood van tranen, hoe je met me mee hebt gehuild en hoe we elkaar even begrepen. dat ik je pas los liet toen het ochtend was, de nacht voorbij. zoals we elkaar nooit aankijken in het heldere zonlicht, maar niet los kunnen laten in het donker
ik denk dat je de enige bent (tot nu toe)















