NVDS — Geen beetje retoriek?
Ik ben een fan van Obama. Zijn stijl staat mij aan. Hij is cool. Hij is niét George W. Bush. Hij staat ook voor iets méér. Hij heeft minstens de schijn van een morele ruggengraat; hij heeft ten minste het potentieel om tot een positief symbool uit te groeien.
Hij kan ook speechen. Het is bijna te vanzelfsprekend om te vermelden, maar wij gaan dat nog missen, de komende jaren. De hele Engelstalige wereld gaat dat missen. De politiek gaat terugblikken, en zeggen: hoe dééd die gast dat toch?
Ze hadden beter wat beter opgelet!
Hij sprak deze week nog over wat zijn tegenstanders hem proberen verwijten, ook na #Orlando: dat hij weigert te spreken over “radical islamic terrorism”. Het is evident, natuurlijk, als je even nadenkt, en dat doét Obama duidelijk (in tegenstelling tot sommige kandidaat-opvolgers). En het is ook een onnozel verwijt van zijn tegenstanders: de doden blijven dood (ze zijn procentueel niet eens doorslaggevend, als dat steekhoudt), en je zal er enkel de interreligieuze dialoog mee bemoeilijken. So why bother?
(Wel opletten dat je je niet té veel bezondigt aan de intentional fallacy, dat je de intentie gaat verwarren met het resultaat, en handelingen gaat interpreteren vanuit je idee van wat de bedoeling moet geweest zijn.)
De grappigheid hieraan is dat Obama dan wel zégt dat het ‘maar’ woorden zijn, dat dat niets verandert aan de situatie, dat het de soldaten in the field geen stap dichter brengt bij de overwinning, etc. Maar aan de andere kant: het zijn wel net dié woorden die uitzonderlijk véél kracht hebben, nl. (zo lijkt het) de kracht om die 1,6 miljard moslims in één vlotte beweging aan de andere kant te krijgen.
Dat klopt toch ook niet? Enerzijds zeggen dat woorden geen belang hebben, en anderzijds schrik hebben dat ze te véél belang hebben? Tegelijkertijd? In één adem?
(Of bezondig ík me nu aan een intentional fallacy?)
Maar mijns inziens is het moeilijk, in een bipartisan wereld — een wereld waar je vóór iets bent, óf tegen — om hier subtiel kritiek op te hebben. Zet daar nog de megafoon bij van een bipolaire media, en je bent eraan voor de moeite.
Daarom voel ik mij nu ook zo lullig, om luidop te vinden dat Obama een redeneerfout maakt in zijn speech, of toch een paradox uitspeelt die we zouden moeten erkennen (nl. dat je niet enerzijds kunt zeggen “het is maar een woord”, om vervolgens te impliceren dat de kracht van het woord net zo schrikkelijk gevaarlijk is). Want als ik deze grote spreker van onze tijd bekritiseer, in welk kamp kom ik dan terecht?