Nieuwe Types: Yelena Schmitz over haar schrijverschap
Schrijver en radiomaker Yelena Schmitz won vorig jaar de Nieuwe Types Afstudeerprijs voor het beste afstudeerwerk van een Nederlandse of Vlaamse schrijfopleiding. Tijdens de Wintertuinsessie van Corinne Heyrman op 7 juni in Arnhem trad Yelena op. Haar winnende inzending voor de radiowedstrijd Korte Golf, 'De jongen, de haag, het bankje', werd afgespeeld en vervolgens droeg ze de tekst 'We get our voice from the voices of others' voor over haar schrijverschap. In aanloop naar het Nieuwe Types Festival 2018 plaatsen wij graag haar mooie mini-radiodocumentaire en haar inspirerende tekst.
Het Nieuwe Types Festival is hét festival voor nieuwe literatuur en vindt plaats van 28 tot en met 30 juni in Arnhem. Op 29 juni wordt tijdens de Showcase Schrijfopleidingen in Theater aan de Rijn de Nieuwe Types Afstudeerprijs 2018 uitgereikt. Meer info: www.nieuwetypes.nl
We get our voice from the voices of others
Dit is een pleidooi.
Een pleidooi om naar buiten te gaan.
Een pleidooi om je wandelschoenen aan te trekken en zomaar naar buiten te gaan.
Je hoeft niet per se naar de bakker. Of naar de apotheek. Een blokje rond mag ook.
Als je een hond hebt, gaat het makkelijker. Je moet hem uitlaten en daarbij laat je jezelf ook meteen uit. Als je geen hond hebt, kan je beginnen met een cirkel rond je huis. Maak elke dag een grotere. En een grotere. Koop een klein dictafoontje.
Ik schrijf al sinds ik heel klein ben. Ik tekende mannetjes in schriften en verzon er een naam, leeftijd en hobby bij. De mannetjes hadden broers en zussen, werden verliefd op buurmeisjes en achternichten, met potloodlijntjes maakte ik stambomen, ik gaf ze een stem. Altijd als het licht uit moest, schreef ik stiekem in mijn schrift, onder de lakens.
Ik schrijf nog steeds graag in mijn bed. Dan leest niemand mee. Maar het heeft me soms ook bang gemaakt. Dan wilde ik geen schrijver worden, omdat schrijvers altijd eenzaam in hun bedden schrijven, of op zolderkamers achter een oplichtend scherm zitten, in hun badjas, met sigaretten en een pot yoghurt, diep verdwaald in internetfora en Word-documenten.
Ik weet niet eens of dat beeld echt is. Of er kunstenaars bestaan die hun huis niet uitkomen. Zoals een weerman die niet meer voelt hoe vochtig het buiten is, maar enkel op zijn hygrometer kijkt.
Het was het opnameapparaat dat ik twee jaar geleden kocht, dat me dwong de straat op te gaan en steeds grotere cirkels rond mijn huis te maken.
Ik kon de stem van de jongen op het bankje niet verzinnen in mijn zolderkamer. Ik wist niet of hij lispelde, of hij van cola of Fristi hield. Hoe hij zijn stem schraapte, zijn zin niet afmaakt. Het was onmogelijk te vangen via het papier.
Na jaren van inkt heb ik met geluid leren schrijven.
We get our voice from the voices of others, staat er in een handboekje dat ik ooit kocht, met tips voor jonge schrijvers.
Mensen zijn wandelende schatkisten voor mij. Goudmijntjes. Ze hoeven zich alleen maar te openen. Je zou kunnen zeggen dat niet ik, maar zij mij kiezen, zoals je de kat uit het asiel niet koos, maar zij jou, toen ze tussen je voeten kwam liggen.
Zo ging het ook bij de mensen die ik de afgelopen jaren leerde kennen. Soms was er een opname-apparaat bij, soms was het alleen ik. Vaak als het apparaat uitging, zeiden ze iets dat ze zelf niet hadden verwacht. Ze wisten allemaal niet dat ze zoiets waardevol in zich droegen.
Er was de jongen op het bankje, Wout, die jullie nu ook kennen, en die me op zijn handycam de snelwegen toevertrouwde die hij had gefilmd.
Er was Hamed, de man die Nederlands wilde leren spreken en elke week een uurtje met me oefende. Hij trainde zichzelf door op YouTube naar de Smurfen en naar videoclips te kijken. Hij vroeg me op een gegeven moment of ik het liedje ‘Dat ik je mis’ wilde vertalen. Ken je dat?
‘Je kust me, je sust me.
Omhelst me, gerust me.
Je vangt me, verlangt me.
Oneindig ontbangt me’
En dan moest ik aan hem uitleggen wat ont-bangen was. Ik heb er nog steeds geen goede definitie voor.
Er was Anneke, de hersendeskundige en Alzheimerspecialist, die tijdens ons gesprek toegaf dat ze dacht dat de dementie haar eigen hersens had aangetast. Lachend aan haar keukentafel noemde ze zichzelf voor mijn microfoon de queen van de dementie.
Er was meester Johan, mijn meester uit de lagere school, een bijbelschool, die na een lange stilte en met pijn in zijn hart toegaf dat hij dacht dat ik naar de hel zou gaan, en dat hij diep vanbinnen hoopte dat God een uitzondering op mij zou maken.
Al deze mensen wenden soms hun ogen af als de microfoon tussen ons staat. Al deze mensen wandelen in het rond met hun verhalen. Die onder netten van andere verhalen liggen. Al deze stemmen staan in mapjes opgeslagen en gecategoriseerd in mijn computer en sijpelen door in alles wat ik schrijf. Al deze reizende geluidsgolven. Deze trillingen. En dan te denken... alle trillingen die nog moeten komen. Alles wat nog niet gezegd, nog niet gehoord is. Wat ik, ergens onderweg, en wat jullie, wanneer we cirkels rond onze huizen maken, nog zullen tegenkomen.