21 januari. ‘Religie doet meer kwaad dan goed’
Dagblad Trouw beslechtte naar eigen zeggen gisteren een kwestie die de mensheid sinds de secularisatiegolven van de moderne tijd in twee kampen verdeeld: religie heeft de wereld meer kwaad dan goed gedaan. Althans, dat is de opvatting van de meerderheid van de Nederlanders volgens een onderzoek van Trouw. 63% van de ondervraagden meent dat religie op zijn minst ‘een beetje’ kwaad doet. Er is geen onderzoek gedaan naar verschillen tussen de opvattingen over verschillende religies, of naar wat dat ‘kwaad’ dan precies inhoudt. Opvallend is dat onder jongeren het oordeel over religie positiever is dan onder ouderen.
Zeggen dat religie meer kwaad dan goed doet of andersom is wat mij betreft hetzelfde als zeggen dat ‘de economie’ meer kwaad dan goed doet. Het is er nu eenmaal, en je kan een groot aantal voorbeelden noemen van slechte daden die uit naam van een God of meerdere goden gedaan zijn in de lange geschiedenis van het geloof in de wereld, net zo goed als dat je kan zeggen dat er dagelijks uit naam van een of andere godheid heel veel goede daden worden verricht. Onderzoeken uit de losse pols zoals dat van Trouw kunnen hier geen uitsluitsel over geven.
We kunnen echter wél kijken naar de oorsprong van religies. De eerste vormen van iets dat op godsdienst lijkt hangen samen met wat de Neolithische Revolutie wordt genoemd, oftewel het ontstaan van de landbouw. Voor die tijd was er ongetwijfeld sprake van een vorm van spiritualiteit, die zou kunnen blijken uit bijvoorbeeld de grotschilderingen van de jagers-verzamelaars die hun prooi afbeeldden, maar de aanbidding van een specifieke, de situatie of het moment overstijgende godheid is volgens godsdiensthistorici verbonden aan de landbouw.
Een gevolg van de ontwikkeling van de landbouw was het verdwijnen van het nomadische bestaan van de meeste mensen. Op een vaste plek konden meerdere voorwerpen ontwikkeld en gebruikt worden, er konden steden ontstaan, en daaruit ontstond dan weer bestuur, administratie, handel en het schrift, die op hun beurt religie weer versterkten. De belangrijkste factor in het bestaan van deze vroege neolithische samenlevingen was natuurlijk het lukken van de oogst. Om die reden zijn de vroegste bekende godenbeelden dan ook de bekende vruchtbaarheidsgodinnen, een fenomeen dat over de hele wereld bij verschillende beschavingen en op verschillende momenten ontstond.
De oudste vorm van een samenleving waarin op een georganiseerde wijze een dergelijke vruchtbaarheidsgodin, die elementen van het schenken van leven, moederschap, de natuur als geheel, en schepping en vernietiging in zich draagt, stamt al uit ongeveer 7000 v. Chr. In Anatolië in centraal-Turkije zijn volgens sommige archeologen de oudste van deze rondborstige vruchtbaarheidsbeeldjes gevonden. De verering van deze godin kreeg een belangrijke plaats in de eerste sedentaire menselijke gemeenschappen, en hiermee ontstond de vroegste vorm van georganiseerde godsdienst.
Religie is dus ontstaan uit iets goeds: de hoop op een goede oogst, veel en gezonde kinderen, het geven van leven, het aanbidden van de natuur. Hier kan je weinig kwaads in zien. Echter, net als Adam en Eva zelf die in het paradijs zwichtten voor het kwaad, heeft godsdienst in latere verschijningsvormen deze oorspronkelijke onschuld al vrij snel afgeschud.