2025 on Tumblr: Trends That Defined the Year

JBB: An Artblog!
macklin celebrini has autism
No title available
dirt enthusiast

祝日 / Permanent Vacation
he wasn't even looking at me and he found me
Claire Keane

No title available
TVSTRANGERTHINGS
occasionally subtle
PUT YOUR BEARD IN MY MOUTH

blake kathryn

Origami Around
Keni

No title available
Monterey Bay Aquarium

❣ Chile in a Photography ❣

Discoholic 🪩
NASA
seen from United States

seen from Canada

seen from Türkiye

seen from United States

seen from Türkiye

seen from United States

seen from Malaysia
seen from United States
seen from Türkiye

seen from United Kingdom
seen from Türkiye

seen from Malaysia

seen from Türkiye

seen from India
seen from United States
seen from United States
seen from France

seen from United States
seen from United States
seen from United States
@meefnl-blog
K of Kaa
Ik wil hem een warm welkom geven nadat hij weer dagenlang in een ziekenhuis heeft gelegen. Een glimlach waar mijn liefde vanaf druipt. Maar aan alles zie ik dat hij daar nu geen behoefte aan heeft. Hij leunt op twee trap-armen als een gym-atleet die op een brug hangt. Voetje voor voetje begint hij aan de klim. Trede voor trede. Hij hijgt. Hij kreunt. Hij kraakt. Trappen die hij maanden geleden nog met twee tegelijk nam. Ik hoor iets breken. Het is mijn hart.
Mijn buurman heeft k. Of kaa, zoals Hugo Claus het verwoordde. Raar hoe we de ziekte liever niet benoemen. We gebruiken een eufemistische afkorting die betrekkelijke rust creëert. Hoewel, tegenwoordig spreken we het veel gemakkelijker uit. Kanker. Hop. Dat is er uit. Klaar. Het is er. We vechten. Terwijl ik heel goed weet dat ik het woord kanker nog nooit heb uitgesproken naar mijn buurman toe. Ik praat over de tumor. Ik stotter over chemo. Maar het woord kanker komt niet uit mijn strot.
Ik volg zijn voetsporen op de trap. Eenmaal boven zie ik hem achterover vallen in zijn bed. Hij hijgt. Hij is als een wielrenner na de Koninginnerit. Zijn ogen zijn gevuld met wanhoop. Met onbegrip. Met woede. Die van mij met waterlanders. God, wat is er toch gebeurd in die paar maanden. Zijn koppie is dunner. Zijn krachtige uitstraling meer dan gehalveerd. Ik knuffel hem als hij weer naar zijn vaste plekkie in bed getijgerd is. Samen snotteren we. Heel even.
We wandelen even door het patiëntenlogboek. Hij praat me bij over de laatste dagen. Ik vind het zo knap. Want hij gebruikt het woord vechten weer. Hij heeft het over een wandeling door de ziekenhuisgangen. Het is een tochtje waar wij de hand niet voor om draaien, maar die hem nopen tot een prestatie van wereldformaat. Hij is krachtig.
Als Feyenoord- en Ajaxfan hebben we elkaar geregeld in de haren gezeten. Ajax en 010, dat gaat niet samen natuurlijk. Toegegeven: het is vooral humoristische afgunst. Elkaar kleineren om niets. Omdat je voor clubs bent die meer dan rivaliserend zijn.
Maar als de dood zich dan daadwerkelijk tussen ons in probeert te wringen, dan gelden andere wetten. Natuurlijk praten we over het voetbal van komend weekeinde. Natuurlijk hopen we beiden op een titel. Dat doen we al weken. Daar waar hij continu de mouwen opstroopt, de vuisten balt en zijn straatvechterssmoel opzet, geef ik me nu gewonnen. Ik herhaal mijn woorden zoals ik ze afgelopen weekeinde uitsprak in de Arena. In Amsterdam kunnen ze me ervoor lynchen. “Weet je, natuurlijk winnen wij die titel, maar mochten wij het niet worden dan is er maar één iemand die het landskampioenschap verdient. Dat ben jij. Ik gun het je. Al is die titel verbonden aan de aartsrivaal.”
Hij kijkt verbaasd. Lacht. “Ach, aartsrivaal. Vijanden?” Hij weet net als ik dat de nuance geen zin heeft. Amsterdam is in zijn vocabulaire 020, een afgekort cijfermatig eufemisme. We hoeven die zaken nu niet te benoemen. Omdat we een gezamenlijke andere vijand hebben. Die we pijnverzachtend niet uitspreken of eufemistisch afkorten. K. Of kaa.
Vanwaar die liefde? Dat vroeg ik me af toen ik vanmorgen voor de zoveelste keer gepakt werd door Thom Yorke. Het is niet briljant, het is niet groots, maar het is met zoveel plezier gespeeld. Het gewauwel in het begin. De ongein op het einde (“now what?”).
Het is eendimensionaler dan Radiohead normaal klinkt. Niet vreemd als je je bedenkt dat het een cover is. En misschien zit daar de verborgen magie wel. Ceremony is een lied dat veel mensen zullen toeschrijven aan New Order. En dat is volkomen waar. Ware het niet dat Ian Curtis zelf nog de tekst schreef, waarmee het officieel een Joy Division-product is. En laat Joy Division nu mijn favoriete post-punkband allertijden zijn. Als de beste band ter wereld er dan mee aan de haal gaat, tja, dan kan ik niet meer dan gelukkig zijn. Werelden die samenkomen. Ondenkbaar mooi.
Ceremony, het is een van de laatste liedjes die Curtis op papier zette voordat hij zichzelf ophing. Een paar dagen voor zijn dood speelde hij het nog live. De resterende leden van Joy Division hebben nog van alles uit de kast moeten halen om de tekst te kunnen achterhalen. Ze luisterden naar groezelige opnamen. Woord voor woord. Om die duistere tekst die Curtis prevelde op papier te kunnen krijgen. Als eerbetoon nam New Order het op. Zo kon het uiteindelijk bij Radiohead terecht komen. En in mijn auto. Op mijn computer. Mijn mobiele telefoon. Een prachtige levensloop van een wonderschoon lied.
Kijkend naar de webcast van Radiohead dan wiebelt alles in me. Niets kan onbewogen die ruim 4 minuten ondergaan. Al is het maar omdat Yorke wederom ze onnavolgbaar beweegt. Iets dat ik tracht te kopiëren. Al jaren lang.
Plezier. Hobby. Dat is het. Ed O’brien die voor deze sessie gewoon eens een bass omhangt. Zijn lichaam verkoopt nonchalance. Het koppie strak. Waanzinnig mooi om te zien. De kuif van Jonny Greenwood zwiept door het beeld. Ze spelen het twee tempo’s hoger dan dat Curtis het bedoeld had. Minder loom, iets meer vrolijkheid. Hoewel er niets is om vrolijk van te worden.
Oh, I'll break them down, no mercy shown,
Heaven knows, it's got to be this time,
Watching her, these things she said,
The times she cried,
Too frail to wake this time.
Woorden die de rilling over je rug laten lopen. Wetende waarom Curtis zijn leven beëindigde. Ik luister. Ik playback mee. Natuurlijk, het zijn de uitvoerende bands die een groot aandeel hebben. Maar er zijn de woorden. Die pijnlijke mooie woorden en de samenkomst daarvan in mijn hoofd. Het puzzelstuk valt. Dat wonderschone onbegrip. Dat wachten. Op wat eigenlijk?
Forever, watching love grow.
Liegend hoofd
Ik heb één sneeuwvlok nodig om Talk Talk te herkennen. Die stem van Hollis. Die melodie. Ik zak achterover in de stoel. Een bevredigende glimlach. Haak in bij de zang. En ja, het gaat door. The Smiths, the Police, The Human League. Aan de andere kant van die radiolijn zit een dj die kennelijk voelt wat ik nodig heb op weg naar Amsterdam.
Ik voel me jong. Ik voel me fijn. Het jaren tachtig kind geniet. Een muzikaal decennium dat diep in mijn DNA zit. Sommigen zetten me vaak weg als een graftak. Omdat veel van die deuntjes uit die jaren tachtig een duistere kant hebben. Gloomy. Liedjes die je hart voorzichtig blakeren. Maar daar houd ik nu eenmaal van. Hoewel de jaren tachtig natuurlijk ook hitjes van plastic heeft voortgebracht. Met een overdadig synthesizergeluid, platte teksten en een wie-doet-mij-wat-mentaliteit. Zo fluorescerend als de kleren die toen gangbaar waren. Fris en fruitig. Zo ruikt het in mijn hoofd bij de tonen die de auto vullen. Jeugdig enthousiast.
Amsterdam kruipt dichterbij en ik merk dat ik nog niet wil uitstappen. Ik heb eigenlijk geen idee welk station mij trakteert op dat heerlijke gevoel. Totdat ik echt luister naar de dj. Schrik van de stem. Omdat ik het koppel aan het station. Hans Schiffers. En dus radio2? De RDS bevestigt het.
Radio2. Radio2. Radio2. Ik lieg in mijn hoofd en vertel dat ze een jaren tachtig avond hebben. Maar als ik later die avond weer naar huis rijd, wiebelen mijn benen nog steeds mee op de deuntjes. Mijn handen trommelen onophoudelijk op het stuur. En dan weet ik het zeker. Een diepe zucht.
Radio2 is het ouwe lullenstation. Muziek waarvoor de jeugd de neus ophaalt. Gek werd ik van mijn vader die onophoudelijk naar die jaren ’60 en ’70 sound luisterde. Op dat stoffige Radio2. Grumpy werd ik van het gegeven dat mensen in nostalgie bleven hangen en het nu ontkenden.
Het kwartje valt. De zender drijft op het grijze verleden. De jaren tachtig zijn er in opgeslokt. Al lijken ze nog zo dichtbij. Al klopt mijn hart in het metrum van die tien wonderschone jaren. Ik behoor tot het verleden. Opgeslokt door het grijs. Jeugdig enthousiasme staat voor ouwe lul. In wording. Een toevoeging die uit mijn liegende hoofd komt.
Blaren voor geld, Serious Walk
We mogen inmiddels spreken van een traditie. De FHJ gaat weer lopen voor de Serious Request-actie van 3FM. Studenten, docenten en vrienden waggelen van Leiden naar Enschede. Bijna 200 kilometer door weer en wind. Op weg naar het Glazen Huis. Vijf dagen lang. Veel lol, veel pijn, veel blaren. We hopen op veel geld. Vorig jaar haalden we ruim 6200 euro op. Dat willen we dit jaar overtreffen. Al is het maar een eurootje meer. Vanaf maandag 17 december beginnen we aan onze tocht.
Wij stappen stevig door in de hoop dat.... er op school ook weer iets ontstaat. Zoals vorig jaar, toen het geld maar binnen bleef stromen en wij in de kou telkens weer harder gingen lopen door die warme geluiden en steunbetuigingen. En die gulle bijdragen.
Vanaf maandag 17 december gaan we op school inzamelen. We hebben onze eigen donatiesite. Dus steun ons a.u.b.
We zijn te volgen op onze Facebookpagina. Daarnaast zullen we een liveblog bijhouden op de website van www.GeR.nl. Uiteraard gaan we twitteren via #fhjsr12. Dus wie een stukje van de pijn en lol wil proeven….leef met ons mee.
De studenten hebben er zin in. De docenten ook. Natuurlijk zijn er altijd knikkende knieën. Dus laat iets van je horen. We hopen dat jullie meeleven.
Met warme wandelgroet,
Elodie, Loes, Nelleke, Eline, Tessa, Sebastiaan, Wouter, Tim, Jan, Roel, Maud, Mark, Connor, Daisy, Joyce, Simon, Hille, Cécile, Jules en Roy.
Tante
Je schrikt. Tante Door is dood. Het echoot na. Laat ik er niet omheen draaien. Ik heb er
al jaren niet meer bezocht. Iets waar ik niet trots op ben. Dat is
angst. Om de ideale herinneringen niet te laten vervagen. Het moest zo blijven
Geven en nemen
Je geeft, terwijl je wilt nemen.
Het ultieme geluid van Kyteman
Ik dacht altijd dat ze onafscheidelijk waren. Colin Benders en zijn trompet. Waar de guitige krullenbol ook verscheen als Kyteman, zijn instrument hing altijd in zijn hand. Het werd subliem vastgelegd in 24 uur met… Hij drentelde op zijn kenmerkende manier door die hoekige studio. Zijn vriendje aan de lippen. Hij stak het instrument zelfs in de magnetron. Het is zijn eeuwige zoektocht naar een bijzonder geluid. Oorzaak en gevolg. Samengeknepen in verplaatsbare lucht dat tot een ultiem geluid moet leiden.
Grenzen. Hij weigert ze te aanvaarden. Hokjes, daar is ie ook wars van. Wat met een hiphoporkest begon, heeft zich geëvolueerd in een massaorkest. Symfonisch en zwaar. Een gezelschap dat een flinke touringcar nodig heeft om zich te verplaatsen.
Wat ze samen bereiken? Het is klassiek. Het is zwaar. Met koor, met strijkers, met alles wat je nodig hebt om een symfonisch geheel te bereiken. Maar er is ook hiphop. Er is jazz. De heruitgevonden Kyteman bevindt zich in de muzikale bermudadriehoek van Zero 7, Carl Orff en Guru’s Jazzmatazz. Een onvindbaar geluid.
Daar waar Benders normaal gesproken als een blije mad man over het podium schuift met zijn onafscheidelijke vriend, is hij nu de dirigent. Niet zo’n pinguïn in het zwart. Nee, Kyteman doet dat op zijn eigen manier. Spijkerbroekje. Hoodie. En maar gebaren. Kijkend naar zijn armen zou je met een beetje fantasie kunnen denken dat hij schildert. Doet hij ook. Niet met verf. Maar met noten. Werk dat je tegen de muren wilt kleven. Of het nu canvas is. Of de muur van geluid die uit de speakers knalt.
Iedere seconde daagt uit. Iedere noot brengt spanning. En je weet, je voelt, dat achter iedere wending een nieuwe verrassing wacht. Een klap in je smoel. Of een voorzichtige aai.
Dit orkest is onpeilbaar. Geen grenzen. Geen kaders. Een tikkeltje gecompliceerd voor een festivalweide. Uitermate gewaagd. Maar het deert hem niet. Mij evenmin.
Kyteman. Topdirigent. Topmuzikant. Die altijd de juiste mensen om zich heen weet te verzamelen. Die allen twee ding gemeen hebben: passie en grenzen verleggen. En zijn vriendje de trompet? Die kijkt op afstand glimmend toe. Mag zo nu en dan figureren als meester Benders hem aan de lippen zet. Samen zoeken ze. Samen vinden ze. Het ultieme geluid. Ze lijken het gevonden te hebben. Zonder magnetron.
Competitie
Een oldie. Omdat het kan vandaag.
Het maatpak
Hij draagt een erfenis. Het kan niet anders. Hij is mooi gevormd. Is een verschijning waar vrouwen van kwijlen. Beetje Johnny Depp. Vlassig sikje. Mooi, duistere ogen. De lach is charmant en zelfbewust. Maar dat pak, dat veel te grote pak. Het kan gewoon niet. Het hoort niet bij hem.
Hij is bedreigend mannelijk. Hij is zo charmant. Dat pak moet een verhaal verbergen. Hij draagt het omdat het ooit om het zwaar bourgondische lijf zat van zijn geliefde overleden grootvader. Hij zal er over gaan vertellen. Ik zal aan zijn lippen hangen. De vrouwen aan mijn tafel zullen smelten. Ik voel het. Het hoort bij zijn charmeoffensief. Warme tranen zullen het gevolg zijn. Ook bij mij.
De volgende dagen leren we elkaar kennen. Nou ja, we wisselen vleugjes personalia uit. Maar we ontdekken dat we dezelfde smaak hebben. De wijnen. De whisky’s. Ik zie waardering in zijn ogen. De waardering voor een gedeeld genot. Hij doceert. Strooit met weetjes. Ik luister.
Zijn grootvader is bij ons. Ik voel het. Niet omdat het overtollige textiel me altijd raakt als hij me bedient. Maar ik weet zeker dat zijn bourgondische familielid niet alleen het pak heeft nagelaten. De kennis, de liefde, hij heeft deze ober gevormd. Hij mag als communicatiestudent dan wel genoodzaakt zijn om wat centen bij elkaar te schrapen, maar hij heeft bewust gekozen voor deze discipline. Omdat hij houdt van hemelse dingen. Zijn ogen verraden dat. Telkens weer. Het pak is het eerbetoon. Zijn eigen dank-je-wel. Voor de overgedragen kennis van opa.
De nacht is gevallen over Perugia. Ik hang uit het raam om stiekem een sigaret te roken. De lichten in Perugia flikkeren als een kerstboom door de thermiek. In mijn ooghoek zie ik een stuk blauw textiel de keuken uit stappen. De kelner volgt iets later, zoals verwacht. Hij leunt tegen de muur. Zet een sigaret tussen zijn tanden. Ook dat delen we kennelijk. Roken in het geheim. Ongezien.
Hij schiet de peuk weg. Verdwijnt de keuken in om iets later terug te keren met twee enorme vuilniszakken op zijn rug. Er druipt een vloeistof uit de zakken. Als regen op een goedgespannen tent, vindt de vloeistof zich een weg op dat pak. Morgen zal hij het weer dragen. Dat is een zekerheid. De vloeistof zal niet te herkennen zijn. Omdat de twee maten die het textiel zich verwijderd houden van zijn lichaam hem redden. Te veel stof. Veel plooien. Veel verborgen nissen. Met vuil.
Opa? Of toch praktische slimheid? Ik houd het op de romantische gedachte als hij mijn glas vol schenkt en zijn pak mijn huid raakt. Hij lacht. Ik ook. Met bewondering.
Superieur
Het voelde alsof twee strenge ogen in mijn rug brandden. Als ik me omdraai zie ik die bekende blik. Inhalerende ogen. Ze maken de van top-tot-teen-beweging. Een voorzichtig trekje rond de mond die je met veel goodwill een glimlach zou kunnen noemen. Hij stapt kordaat op me af, geeft een stevige handdruk waarbij mijn eigen knuist op de rug gelegd wordt. Zonder enige worsteling. Superieur. Dat is hij. Zonder woorden.
Herr B. is onze gids in de Stasi-gevangenis. Al jaren. Ik vind het een geweldige man. Maar hij is ook een beetje eigenaardig. Vanwege zijn manier van communiceren. Iedere zin is een les. Ieder woord kent een dwingende intonatie. Hij laat je niet ontsnappen. Als je niet aan zijn lippen hangt, dan zuigt hij je met speels gemak naar binnen. Door met stalen ogen en veel volume je een vraag te stellen. Waarop je het antwoord toch niet weet. En als je het weet dan weerhoudt angst je. Omdat hij altijd een vervolgvraag klaar heeft. Je wint niet van hem. Nooit. Superieur.
Terwijl we met veel ongemakkelijke stiltes naar het gevangeniscomplex lopen, valt me op dat hij streng marcheert. Het draait niet om snelheid, maar om nauwkeurige synchroonbewegingen van armen en benen. Hoewel hij zijn pasje lijkt te versnellen zodra ik ook maar op gelijke hoogte lijk te komen.
Ik heb hem vier keer ontmoet. Telkens zit er een jaar tussen. Wat opvalt is dat hij ieder jaargang hetzelfde draagt. Alsof hij rekening houdt met mijn komst. Een blauwe waxjas die wat versleten oogt op de ellebogen. Op de ribkraag lijkt al vier jaar lang hetzelfde hoopje roos te liggen. Een bruin blauwe das tegen de oktoberkou van Berlijn. Een oude, vale vormloze spijkerbroek die nonchalant hangt over zijn bruine bootschoenen. Ik twijfel of hij daadwerkelijk hetzelfde draagt. Hij lijkt me meer het type dat thuis in zijn kleerkast op knaapjes in zesvoud dezelfde garderobe heeft hangen. Met daaronder, keurig gesorteerd, zes paar bootschoenen.
Eigenaardig. Maar meesterlijk. Als hij doceert dan is het genieten. Hoewel het knagende gevoel van angst blijft. Bang voor die vraag. Ik weet dat ik inmiddels in de veilige zone zit. Ik ben de docent. In de pikorde sta ik hoger dan de studenten, dus hij zal me ontzien. Maar vier jaar eerder had hij ons te grazen. Tien volwassen mensen. Hij ondervroeg ons als een Stasi-agent zou je bijna zeggen. Foute antwoorden resulteerden in rollende ogen. En afkeurende lichaamstaal. We liepen met zweetplekken onder de armen naar buiten. Een mondeling examen op de middelbare school had iets van een gezellig uitje in vergelijking tot zijn exercitie van 45 minuten in de gevangenis. Een hel was het.
Zijn pijlen zijn op die arme twintigers gericht nu. Dus durf ik naast hem te staan. Of bijna naast hem. Uit respect bewaar ik twee stappen afstand. Ik inspecteer de gezichten van de studenten. Ontdek ik angst? Laat hij ze heel? Blijven ze bij de les? Vreet hij ze rauw op?
Al snel ben ik trots. Ze geven de juiste antwoorden. Maar hé, hij is superieur, winnen doen ze niet. Net als er iets van ontspanning in mijn bovenbenen ontstaat, draait hij met zijn ogen. Hij zucht. Hij snuift. Ik ken dat geluid. Hij ergert zich. Maar aan wie? Een vluchtige blik naar de studenten, maar daar ligt de oorzaak niet. In mijn rechter ooghoek verschijnt een andere groep die door de tuinen van de gevangenis dwaalt. In de optiek van Herr B. praten ze net iets te luid. Ik kan even niet ademen. Omdat je weet dat de explosie volgt. Ik voel me ongemakkelijk. Voor hen, de toekomstige slachtoffers. Of ze niet wat luider kunnen spreken, bijt hij ze sarcastisch toe. Het merendeel van de groep is zo verbouwereerd dat ze niet verder komen dan een open mond. B. laat ze passeren terwijl een afkeurende blik het gezelschap volgt totdat ze uit zijn roofdierogen verdwenen zijn. Hij probeert de draad van zijn betoog op te pikken. Maar gemakkelijk gaat dat niet. Zulk onrecht en onbeschoft gedrag raakt hem.
De monoloog dendert uiteindelijk door. Niet voor lang. Want dan gaat de telefoon van een student. Mijn hart mist een paar slagen, ik hoop dat….maar ze neemt op. Loopt weg. Praat. Lacht. B. praat wel door, maar ik voel aan alles dat zijn aandacht ligt bij die ene student, die tegen al zijn normen en waarden in belangrijkere dingen te doen heeft. Ik volg het gesprek ook, maar sta met beide benen vastgenageld aan de grond. Moet ik ingrijpen? Moet ik haar slachtofferen? Moet ik hem haar laten verscheuren? Ik weet het niet. Kan ook niks. Ik ben verlamd. Wachtend op een explosie. Maar hij is mild. Voor mij. Voor haar. Hij zegt niks, maar zijn ogen verkondigen de boodschap: spreek haar aan. Dat doe ik. Ook zij voelt zijn afkeuring. De rest van de rondleiding ontwijkt zij zijn blik. Verscholen achter een haar van gordijn. Ze leest het informatieboekje een kleine twintig keer. Van kaft tot kaft. Ik ruik haar angst.
Herr B. loopt door de cellen. Mensen uit het verleden krijgen een gezicht. Je ruikt de waanhoop. Voelt de kou. Hij verplaatst onze geesten in andere lichamen. Hij maakt ons tot verdachten. Hij vuurt vragen af, op een dwingende manier. Hij zaait angst. Op dictatoriale wijze. Hij waarschuwt de studenten dat de verf op de celmuren bladdert en op hun jas zal blijven kleven. Maar zijn eigenlijke boodschap is dat hij het niet toestaat dat twintigers gaan hangen. Die verf blijft keurig op de muren. Hij eist gewoon discipline. Hij voert een psychologische oorlog. Hoe voert een machtsstrijd.
Het is een gruwelijk gedachte, maar hij schiet toch door mijn hoofd. Zo moeten de gevangen binnen het SED-regime zich ook gevoeld hebben. Mentaal word je klem gezet. Je moet opletten. Ieder verkeerd woord kan afgestraft worden. Iedere bevestiging is een bekentenis. Tegelijkertijd moet je alles roerloos ondergaan.
Als we op de luchtplaats even ontspannen, voert hij de druk meteen weer op. Hij wijst op de plek waar de wachter met zijn geweer over de gevangenen waakte. Die zin is zo krachtig dat de lege plek direct ingevuld wordt door een man in groen die sadistisch zijn loop op ons richt.
Herr B. betrekt me in het verhaal. Wil dat ik zijn eindmop vertel die ik al vier keer gehoord heb. Zijn lach is breed. Hij weet dat hij wint. Ook van mij. Omdat ik door angst en paniek maar niet tot de clou van de grap weet te komen. Koude druppels glijden uit mijn oksels.
Als we terug naar de uitgang lopen kent zijn gezicht een uitdrukking van spijt. Hij lacht. Grapt dat ik volgend jaar de mop toch echt moet vertellen. Hij keuvelt. Vriendelijk. Geen stiltes. Alleen maar nuttige informatie over muziek en de manier waarop het regime ermee omging. Hij verwijst na die prachtige muzikale scene in Das Leben der Anderen. Hij herinnert ons nog aan een expositie die we moeten zien. Herr B. toont menselijke trekjes. Dat is nu precies waarom hij zo meesterlijk is. Hij speelt een rol. Ik weet het zeker. Om onze ervaring zo levendig mogelijk te maken. Gruwelijk goed acteerwerk. Superieur.
Losjes wandelt hij terug naar zijn fiets. Op weg naar huis. Hij zal zich omkleden. Want thuis draag je nooit je werkoutfit.
Ik geloof niet dat er één student is die slecht zal slapen vannacht. Maar bij mij kriebelt het. Morgen gaat-ie plaatsvinden. De Grote Popjournalistiekquiz. Inzet: een platenbon. En de eeuwige roem. Een jaar lang mag de student zich de kenner van de FHJ noemen. Ik overweeg om een sjerp te laten maken.
25 covers krijgen ze te horen. Soms gestript, uitgekleed en verbouwd. Soms veel intenser en pakkender dat het origineel. Afgezien van het gegeven dat ik graag de hersenen hoor kraken en ze nog liever zie zweten, denk ik dat het vooral belangrijk is dat ze muziek kennen. Herkennen. En kunnen plaatsen. Geen overbodige luxe als ze straks de poptempels als journalisten veroveren met hun mini-aantekenblokjes.
Maar bovenal: ik vind het kinderlijk spannend. Er zal gestreden worden, dat weet ik zeker. Vanaf de eerste noot. Waarna ik het volume met een brede glimlach weg zal draaien als de eerste clue zich echt aandient.
Al weken grasduin ik door de platenkast. De fysieke en de digitale. Op zoek naar die juweeltjes. Telkens als ik er weer een gevonden heb, mieter ik hem ook weer weg. Te gemeen. Of te gemakkelijk. Het kriebelt. Enorm.
Ze zijn niet van gisteren, dat hebben ze de afgelopen weken al laten horen tijdens dat andere leuke element in het lesprogramma: De Pareltjes. We sluiten ieder lesblok af met een luistersessie. De vloer is aan de studenten. Ze mogen alles de ether in slingeren. Als ze maar uitleggen waarom die plaat hen raakt. Zo hebben we mee mogen mee snotteren met Eels en een gebroken liefde en zochten we naar de geheimen van het leven met Joni Mitchell. Wonderschoon. Pakkend. En persoonlijk.
Daarom ben ik benieuwd naar die gezichten morgen. Naar de scores. Naar het resultaat. Ik maak mijzelf wijs dat ze al op een oor liggen. Om extra alert te zijn. Maar ik sluit ook niet geheel uit dat ze nu in de kroeg staan om kennis op te slaan. En bier weg te hakken.
Maar goed, ze luisteren niet mee. Daarom een weggevertje. Eentje.
Doe mee en lever het antwoord aan. Zonder Shazam. Zonder internet.
Prettieke feesjdagen
De deurbel galmt en ebt weg in mijn gevloek. Wat nu weer?
Ik sprint de trap af terwijl ik in het donker over mijn eigen schoenen struikel en daardoor vier traptreden tegelijk neem. Verplicht. In een zweefduik. Op weg naar de voordeur. Van woede trap ik nog bijna op mijn wenkbrauwen. Een vriendelijke welkomstgezicht hoeft de persoon voor de deur niet te verwachten.
Er hangt een soort nicotinemist voor mijn huis. Ik onderscheid een kleine brede man in een zwarte leren jas. Hij licht op in een klein gloeiend kogeltje van een peuk die aan zijn lip lijkt te hangen.
Hij zwijgt. Ademt zwaar. Doet dan een stap naar voren terwijl ik mijn vuist bal. Nee, hij wil me niet bedreigen, zo blijkt. Maar presenteert een kaartje. ‘Iek wensch oew prettieke feesjdagen’.
Ik probeer te ontspannen. Vraag me tegelijkertijd af wat hij bij mij bezorgt. VSP staat er op zijn papieren geschenk. ‘Ik wens je hetzelfde’, lieg ik.
‘Iek ben die bezorger’, probeert hij weer.
‘Dat zie ik’, brom ik.
Hij steekt zijn varkensknuist open naar voren. ‘Van die reclame’, klinkt het. Zijn peuk wiebelt mee op het ritme van zijn woorden. Vijf seconden blijft hij zo staan. Zonder te bewegen. Terwijl ik door de mist heen een gezicht probeer te lezen. Hij geeft niet op. Hij wil geld.
Het is het jaarlijkse decembergevecht. Iedereen belt aan. Iedereen wenst je prettige feestdagen. En hoopt op een bijdrage.
Nu vind ik het heel moedig van die bejaarde Volkskrantbezorger dat die iedere ochtend weer om 7.00 uur bij mij de krant binnen klept. Als aanvulling op zijn AOW. De afgelopen dagen deed hij dat in gruwelijk weer terwijl hij met zijn fietsje over de straat zwabberde. Met veel gevaar voor eigen leven. Die man beloon ik graag. Ook de bezorger van het ED ging vanmorgen met een klein presentje op huis aan. Maar deze man? Een bezorger van oud papier?
Aangezien we inmiddels zonder te bewegen en zonder woorden vijftien seconden tegenover elkaar staan, probeer ik hem toch maar verbaal een hint te geven.
‘Daar krijg je toch loon voor’, klinkt het retorisch.
Hij zucht. Met durf. ‘Door weer en wiend mijnhier.’
Hij geeft niet op. Zoveel is duidelijk. Ik snap het niet. Ik weiger ook. En probeer tegen beter weten in. ‘ Het is toch je werk?’
Best ad rem. Denk ik. Maar hij is een bijtertje. Hij is een man met een missie. Hij heeft waarschijnlijk al zeventig van dit soort gierige mensen bewerkt vandaag. Eentje meer of minder daar draait hij zijn hand niet voor om. Hij blaast een nieuwe mistwolk de lucht in.
‘Zegt oew dat ook tegen die krantuhbezoerger?’ Hij tutoyeert niet. Dat moet ik hem nageven.
‘Nee, maar die werkt in de vroege ochtend. En bezorgt me iets waar ik op zit te wachten. Uw reclame gaat vaak ongelezen de oud-papierbak in. Dat vind ik wat anders’, verzucht ik.
Ik voel dat hij een antwoord klaar heeft en zoek paniekerig naar een volgende zin om hem te kunnen pakken.
‘Iek zie anders kein stieker op oew deur’, klinkt het triomfantelijk.
Verdomme. Hij zet me vast. Als overwinningsgebaar wiebelt hij even met zijn open hand. Als de eigenaar van een draaiorgel. Wat kan ik nu nog zeggen? In die paar seconden dat we elkaar kennen, heb ik hem leren inschatten en weet dat hij op iedere variant die ik lanceer, toch weer een antwoord klaar heeft. Terwijl ik naar briljante woorden zoek, geeft hij me de doodsteek.
‘Oew vrouw zal er andersj over denken. Zij leestj die reklame togch.’
Schaakmat.
Ik geef op. Hij mag het gevecht winnen. Mijn hand gaat naar de kontzak. Met tegenzin probeer ik wat muntjes te onderscheiden. Ik baal. Ik verlies niet graag. Ik trakteer de hufter liever op een dichtslaande deur dan dat ik nu op mijn knieën ga. Mijn vinger roert door de spaarzame munten. Vijf cent, een paar van tien en een twee euro muntstuk. Langzaam verschijnt er toch een voorzichtige grijns op mijn gezicht. Hij mag dan wel winnen, maar ik gun mijzelf het laatste woord. Twee euro? Ik dacht het niet. Ik schraap de drie 10 centmuntstukken bij elkaar. Trakteer hem nog op die stuiver en presenteer trots 35 cent. Samen oogt het heel wat. Kwantiteit heerst. Zeer zeker als het mistig en donker is.
Ik lach mijn meest vriendelijke lach, terwijl hij het totaalbedrag probeert in te schatten. Zijn hoofd buigt voorover. Diep. Hij kijkt me vol ongeloof aan. Maar hij weet dat hij niks kan zeggen. Hij draait zich zonder woorden om. Waggelt het tuinpad af. Mompelt wat terwijl hij in de lucht een spoor van rook trekt.
‘Prettige feestdagen’, roep ik terwijl ik de deur dichtklap.
Ik struikel over dezelfde schoenen op weg naar boven, plof op mijn bureaustoel en surf naar de site van de gemeente. De Nee-Nee-stickers zijn gratis af te halen, zo blijkt. Mijn cadeau aan deze hufter.
Wintertijd in het verschiet. De regen plenst. Kruip onder de dekens met Warpaint. Lekker seizoensplaatje. Kleurt de dag op fantastische wijze.
Bockbier van Christoffel. Iets met een engel, tong en piessen.
Emelius Vaessen zou zeggen dat het door couchsurfen in elkaar gezet is. Wij weten wel beter. Denk ik. Prachtig resultaat. Grijstinten bij die mooie donkere stem. Enjoy
Duivels. En goed. Duivels goed.