Het feest van privacy
Ik pak de KRO gids en draai hem fel om. Dat hoofd hoef ik even niet te zien. Ik kan er nog steeds niet over uit dat er een programma komt waarin er gefilmd wordt op een open en gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis en dat cliënten zijn geïnterviewd zonder dat hun privacy gewaarborgd wordt. Ik zapte laatst op de televisie en zag een programma waarin er in een doorsnee ziekenhuis gefilmd werd.
Wat is het verschil tussen een psychische en fysieke ziekte? Kan er wel integer de behandeling van een lichamelijk ziekte gefilmd worden en niet van een psychische ziekte? Ik vind het allebei niet kunnen.
Toen ik opgenomen was vond ik het kaartje dat hing voor mijn deur met mijn achternaam al een inbreuk op mijn privacy. Ik besprak het met mijn behandelaar, een klinisch psycholoog, en zij adviseerde me het kaartje om te draaien en er mijn voornaam op te zetten. Dat deed ik demonstratief ook.
Toen een moeder haar zoon kwam terugbrengen naar de afdeling ging ze in het gangpad in gesprek met een verpleegkundige die geduldig naar haar luisterde.
Ik zat samen met een groepje andere cliënten in de huiskamer en we konden alles horen. Wanneer hij zijn oxazepammetje pakte toen het hem te druk werd, dat hij langs was geweest bij zijn woongroep. Toen de moeder klaar was met haar overdracht kwam de verpleegkundige de kamer binnen lopen.
Ik zei tegen hem: “Nou fijn dat we nu weten hoe het weekend van Jantje Piet is geweest.” De verpleegkundige werd rood en zei: “Ach, er wordt zoveel in deze kamer gedeeld met elkaar.”
Drie keer in de week kwam er een psychiater en systeemtherapeut naar de huiskamer van de psychose unit. Wij, de cliënten zaten in een rijtje tegen de muur naast elkaar en daartegenover zaten de psychiater, systeemtherapeut en een verpleegkundige. Een voor een konden we onze vragen voorleggen, onze klachten bespreken en vragen om een privé gesprek. De psychiater stelde vragen om duidelijk te krijgen hoe het met een ieder van ons ging. Dat waren bijna de enige momenten waar er werd gepraat over psychoses. Voor de rest zwegen wij als cliënten onder elkaar.
Zo vroeg de psychiater aan een Poolse man die bijna nooit sprak: “Do you still see the man with the knife?” Zijn ogen werden groot en heel voorzichtig knikte hij ja. En dat gaat mij een stap te ver. Het gaat mij niks aan dat hij een man met een mes ziet, wat zijn klachten zijn en waarom hij opgenomen is. Net zoals het medicatie gebruik van Jantje Piet mij niks aangaat.
Ik zei vrijwel nooit iets tijdens deze momenten. En nu ik erop terugkijk vind ik het niet meer van deze tijd getuigen om zo met elkaar om te gaan.
In mijn werk als activiteiten en woonbegeleider met mensen met een verstandelijke beperking was ik wars van het groepsdenken. Iedere cliënt heeft zijn eigen unieke zorgvraag en de tijd dat we iedereen over een kam scheren was voorbij, was mijn visie.
Er zal vast een diepere reden voor zijn dat we in een groep onze klachten moesten bespreken. Ik ben nooit een groepsmens geweest en zal het ook nooit worden. Ik ben erg gesteld op mijn privacy en nu ik dan alleen woon en steeds vaker alleen ben is het voor mij een feestje om mijn gevoel van eigenheid weer terug te krijgen. Om mijn voeten op tafel te kunnen leggen en te kunnen kijken op televisie wat ik wil. Ik geniet van de tijd die ik weer teruggekregen heb. Met alle privacy die daarbij hoort.














