Je warme lach vult de ruimte als zacht kaarslicht. Je stem weergalmt als getijden van de zee. Ik duizel. Je bijt zachtjes op je onderlip, tegelijk onschuldig en speels. Elke beweging is perfect. Ik beland bij onze eerste date. Toen was je al zo charmant. Als een fiere, elegante kater die vol is van zichzelf, maar spint als je hem aait. En aaien deed ik je. Over je armen. Je krullen. Je lippen. Ik verdronk in je. Een verdronken vlinder.
Je schuifelt voorzichtig op je stoel en ik zie je spieren opbollen. Ik herinner me hoe ze voelden en roken. Hoe jij rook. Hoe het was om jouw kracht in mij, over mij, door mij te voelen: jouw hartslag in mijn ziel. Onbewust strijk je langs je neus. De beweging is zo vlot, zo onopvallend dat bijna niemand de tic zou opmerken. Behalve ik. Ik zag het allemaal: de afgebeten nagels, de lege pillendozen op de grond als pas gevallen sneeuw, het holler worden van je overvolle ogen. Stilaan werd de vijver leeggevist.
Je was zo vol en toch zo leeg. Zo ongrijpbaar. Als een eeuwige val waarvan je tegelijk kriebels en doodsangsten krijgt. Een goedkope kermisattractie. Een leeg meer. De zon: warmte gevend, maar niet krijgend. The sun can’t illuminate itself. En terwijl ik je daar met een ander zie zitten, begrijp ik je voor het eerst sinds jaren.