Nadat ik hem af had geschud en hem ervan had verzekerd dat hij écht niet mee naar mijn huis kom voor nog een kopje koffie toe, ging ik opgelucht naar huis. Nou ja, opgelucht? Eerder alsof er een enorme last van mijn schouders viel, hoewel ik wist dat de last weer terug zou komen als ik eenmaal thuis was.
De busreis terug staarde ik uit het raam, want dat doe je nu eenmaal als je in de bus zit. Mijn bus reed op dat moment door de buurt waarin ik opgegroeid was, en terwijl verschillende plekken voorblijflitsten dacht ik terug aan deze dag. Ik had zojuist mijn derde date achter de rug met een knul die de naam Marcel had gekregen.
Godallemachtig, wat werd ik moe van die gozer. Hij had heus wel iets interessants, anders had ik geen drie dates met hem gehad, maar het voelde niet echt alsof we bij elkaar hoorden. Nouja, bij elkaar horen is sowieso iets overschats, want opzich kan je bij iedereen horen. Bij de een moet je wat harder werken dan bij de ander, maar wat betreft Marcel zou ik daar niet zoveel energie in willen stoppen.
Hij was veel te slijmerig, deed teveel moeite, hij had iets slachtofferigs over zich, en hij was veel te makkelijk op de kast te jagen. Als ik voor een langere tijd bij hem zou zijn, zou ik hem gaan pesten, dat was een zekere zaak. Op zich kan dat erg vermakelijk zijn, maar nee, ik zou nog liever verdrinken in het konthaar van mijn wiskundeleraar dan dat ik mijn lot aanvaarde om voor altijd, of een langere tijd, met zo’n portret te moeten leven.
Toen hij de avond daarvoor mij reserveerde voor een date, vroeg hij aan de telefoon of ik héél misschien zin had om naar de bioscoop te gaan. Nadat ik opvallend een geërgerde zucht liet klinken, zei ik met een niet al te enthausiaste stem dat ik even in mijn agenda zou kijken of ik plek had. Ik zette hem op de luidspreker en maakte expres veel geluid met wat papieren die rommelig op mijn keukentafel verspreid waren, en deed ik alsof ik in de agenda keek die ik niet had. Als ik een afspraak had onthield ik dat wel, en zo niet, dan was het toch niet belangrijk genoeg. Waar had ik dan een agenda voor nodig?
Ik kon even niet zo snel een smoes verzinnen, aangezien ik er die week al teveel had gebruikt, en terwijl ik de opgewekte stem van mijn populaire vriendin in mijn hoofd hoorde zeggen: “Je moet er echt op uit, sta open voor iedere jongen die je zijn bed in wil krijgen, want ik zie je al helemaal alleen eindigen als een oude vrijster met alleen maar katten! Je bent véél aantrekkelijker als je uitstraalt dat je vanochtend een hele goede beurt hebt gehad!” besloot ik het er gewoon op te wagen. Wat kon er nu zo erg zijn aan een avondje opgescheept zitten met een sukkel?
“Morgenavond ben ik vrij”, had ik gezegd, en gelijk had ik spijt. “En ik wil best wat met je gaan doen, als je maar wat anders verzint. Ik kan net zo goed thuis een film kijken, op een behaaglijke bank met zoveel eten als ik wil, en geen massa walgelijke mensen om me heen.”
Het is niet dat ik een hekel heb aan de bioscoop, helemaal niet. Met een paar vriendinnen ofzo. Lekker heel de film door giechelen en mensen irriteren met ons gelach. Maar als een eerste (of tweede of derde) date is het zo afgezaagd, en bovendien spreek je elkaar dan nauwelijks. Als Marcel en ik naar de bioscoop zouden gaan samen, zou ik niet snel genoeg kunnen weten in welke mate hij niet goed genoeg voor me was.
“Ik zal met iets komen waar meisjes zoals jij van dromen!” zei hij, naar mijn mening wat te blij. Ik geloofde niet echt dat hij wist waar ik van droomde. Als hij echt kwam met waar ik van droomde, dan zou hij me mee hebben genomen naar een makelaar, waarmee hij een afspraak had geregeld om te gaan kijken in mijn droomhuis, inclusief prinsessenkamer, glitterkamer, ballenbak-speelparadijskamer en nog veel meer. Dat zou hij dan voor me kopen, het contract op mijn naam laten zetten en daarna voor eeuwig verdwijnen uit mijn leven. De andere reden dat ik hem niet geloofde, was dat de vorige dates uit eten en wat drinken in een truttig cafeetje waren.
Ik gromde wat en legde toen de telefoon neer. In de loop van die avond kreeg ik nog wat smsjes van hem, waarop ik schaarse antwoorden gaf. Hij zou me in ieder geval de volgende dag ophalen om een uurtje of twee ‘s middags. ‘ok’ was daarop mijn antwoord.
De dag van de derde date stond ik om één uur ‘s middags op. Het boeide me niets of ik op tijd klaar zou zijn of niet. Hij wachtte maar gewoon, op de stoep. Niet in mijn huis. Mijn ouders vroegen zich al af met wie ik wel drie hele dates achter elkaar had, aangezien ze dat niet van mij gewend waren, en als er dan zo’n gozer binnen kwam strompelen zouden ze me vierkant uitlachen. Of misschien zouden ze hem juist met open armen ontvangen in de famillie aangezien ze zelf ook sukkels waren, en dan kwam ik er nooit meer vanaf.
Daarbij had ik ook echt geen zin om me uit te sloven, vooral niet als ik in diezelfde tijd zou kunnen slapen.
Ik zat als bij wijze van een ontbijt mijn tweede kom chocoladevla met slagroom naar binnen te werken, toen om kwart voor twee de bel ging. Terwijl ik verlangend naar mijn vla keek vroeg ik me af waar ik in hemelsnaam aan begon. Het was niet echt een goed teken als je meer zin had in vla dan in je date, toch? Maar goed, ik moest wat doen met mijn tijd. Wat mij betreft had hij het al verpest door dat kwartier te vroeg te komen. Als je twee uur zegt, ben je er twee uur. Of later. Maar absoluut niet eerder. Wie weet had ik net zin gehad om al mijn stront door de kamer te gooien en er luid zingend doorheen te rollen, en belde hij al aan terwijl ik nog niet eens klaar was met het opruimen. Dan had ik weer een smoes moeten verzinnen over mijn vijf katten die plotseling allemaal diarree hadden gekregen, en dan had ik ook nog eens moeten verzinnen dat al mijn katten even zin hadden in een wandelingetje buiten, want ik had helemaal geen katten.
Ik was voor de rest al klaar met alles, maar toch liet ik hem expres nog even tien minuten wachten, omdat hij nu eenmaal moest boeten.
Toen ik uiteindelijk de deur opendeed, werd ik bedwelmd door een geur van rozen en staken er wat doorns in mijn gezicht. Ik lachte geforceerd en gaf hem een zoen op zijn wang en zei ik met een poeslief stemmetje: “dat had je niet hoeven doen!” terwijl mijn gedachten brulden: is een hele bos rozen niet lichtelijk overdreven?
“Voor jou doe ik alles, prinses!” zei hij met zo’n zelfde lieve stem terug, en ik had gelijk zin om hem in zijn gezicht te kotsen terwijl ik elk deel van zijn lichaam zou slaan met mijn oh zo geliefde afstandsbediening.
We gingen een boottochtje maken, waar ik mee imstemde, mits hij zou roeien. Ik had er niet voor gekozen, dus ik zou ook zéker geen moeite doen. Als ik zin had om mijn armspieren te trainen ging ik wel gewoon naar de sportschool. In mijn eentje, met oordopjes in.
Hij had ook nog eens een picknickmand bij zich, die zijn moeder waarschijnlijk voor hem bereid had. Voor haar kleine jongen die eindelijk groot genoeg was voor een date.
Na een tijdje met hem in het bootje gezeten te hebben, tegenover elkaar met de grote picknickmand tussen ons in, en ik even geen interview-waardige vragen naar mijn hoofd geslingerd kreeg waarmee hij probeerde veel over me te weten te komen, stopten we ergens bij een eilandje. Daar had hij allerlei kaarsjes neergezet in de vorm van een hart, en ik kreeg gelijk de kriebels. Hoeveel moeite stop je in iemand die je pas een paar weken kent? Deze gast moest nog eenzamer zijn dan ikzelf!
“Nou? Wat vind je ervan?” had hij gevraagd, en terwijl iedere dodelijke vloek in mijn hoofd opkwam die ik maar kon verzinnen, stamelde ik “wauw”. Dacht hij werkelijk dat dit de droomdate was voor meisjes zoals ik? Iedereen die ook maar een beetje bij zijn verstand was, zou gelijk weten dat er iets niet helemaal klopte met die kerel. Ik had gillend weg moeten rennen, maar helaas waren we op een eiland.
“Zeg maar niets hoor suikerbloempje, ik snap dat het overweldigend is”, zei hij zwoel, wat me nog eens moordneigingen bezorgde ook.
Terwijl ik een stukje liep over het strand, stalde hij de hele picknickmand uit op een geruit kleedje. Het leek wel een voedselpakket voor een heel Afrikaans dorp. Hoelang dacht hij dat ik daar met hem wilde zitten? Zag ik er echt uit alsof ik zoveel eten nodig had? Ik zag zijn moeder al voor me, een bolle vrouw die veel te veel vragen zou stellen als je daar een keer thuis kwam, heel de dag in de keuken staan zodat haar kleine jongen er iets moois van zou maken. Ik werd plotseling heel misselijk en ik wist niet hoe ik zo snel mogelijk weer thuis zou kunnen komen zonder dat hij een hartaanval zou krijgen van verdriet.
Ik besloot er maar het beste van te maken en zette een neppe lach op mijn gezicht, het dump-proces zou later wel komen. Of was dit de enige kans op liefde die ik ooit zou krijgen en als ik die niet aangreep, zou ik dan inderdaad eindigen als oude vrijster met alleen maar katten?
Uit pure wanhoop begon ik maar met hem te eten op dat eiland. Het voelde niet echt als een droomdate, meer gewoon als een vreetfestijn maar dan op een andere plaats dan in mijn eigen huis.
“Het spijt me dat ik zoveel tijd van je opslok, mijn liefste, ik weet zeker dat je natuurlijk allerlei andere zaken aan je hoofd hebt, zo’n interessante en veelzijdige jongedame als jij. Maar ik moet je nog één keer vragen, of nou ja, ik hoop natuurlijk op nog wat vaker, maar ik moet je nog één keer vragen om morgen naar me toe te komen. Ik heb een verassing voor je, en ik hoop dat je mij de kans wil geven om die aan je te laten zien”, zei hij dramatisch, alsof het een hele eer was om met mij te mogen praten.
“Uh, ja hoor, het zal wel, maar kan dat niet gewoon nu?” vroeg ik onverschillig. Ik had niet echt zin om nog meer dagen aan hem te verspillen.
“Nee nee. Wil je nu een verassing of niet? Het is nog niet klaar, mijn hartje, in deze verassing zit veel pijn en moeite, dus je zult geduldig moeten zijn!” Hoe kwam ik in Godsnaam aan deze gast? Wat ging er in mijn hoofd om na de eerste twee dates, waren die niet genoeg om me hem te laten verafschuwen?
Ik gaf geen antwoord, wat hij opvatte als een instemming. “Morgen maar doen dan? Mooi.”
Na wat een veel te lange dag was geweest, waren we eindelijk weer aan het vasteland aangekomen. Hij had weinig interessants gezegd, alleen nog wat slijmerige liefdesverklaringen die hij vast van internet had geplukt, of hij moest wel heel creatief zijn.
We stonden tegenover elkaar, wat opgelaten. Hij omdat hij vast van plan was om me te zoenen, en ik omdat ik niet precies wist hoe onze wegen vanavond konden scheiden zonder gezoend te worden en hem een gebroken hart te bezorgen, want ik wilde best weten wat hij voor me in petto had.
“Zou je me niet eens moeten bedanken voor deze bijzondere middag?” vroeg hij, waarna hij zijn lippen tuitte.
“Ik geloof dat jij mij juist een bedankje verschuldigd bent. Als ik nee had gezegd, was alles niet doorgegaan”, was mijn antwoord, maar ik besefte meteen wat ik had aangericht, toen zijn gezicht steeds dichter bij het mijne kwam.
Een kwartiertje later zat ik in de bus, me voor te bereiden op een ondervraging van mijn ouders. Het hele scenario van die middag speelde nog een paar honderd maal door mijn hoofd, en ik voelde me misselijk en tegelijkertijd gevleid. Er was dus wel iemand die geinteresseerd was in mij, alleen een beetje jammer dat hij niet goed snik was.
Toen ik thuiskwam zaten mijn ouders in de kamer nog koffie te drinken en hun gebruikelijke ronde oninteressante tv-programma’s te kijken. Ik kwam de kamer binnen en ik zag ze elkaar even aankijken, naar elkaar knikken, en toen nam mijn vader het woord.
“Wanneer neem je die geheimzinnige jongeman nu eens mee naar huis, liefje? Ik moet toch weten met wat voor gespuis mijn enige dochter allemaal ronddwaalt de hele dag.”
Geloof me, pap, dat wil je niet. Ik zag het al helemaal voor me dat we met zijn vieren aan de eettafel zouden zitten, en dat mijn vader aan Marcel zou vragen wat zijn vader deed, terwijl Marcel zenuwachtig in mijn hand kneep onder de tafel.
“Ehm, ik weet het niet. Ik denk niet dat er iets inzit tussen ons”, zei ik voorzichtig.
Mijn moeders gelaatsuitdrukking veranderde meteen in die van een bezorgde moeder die het beste voorheeft met haar kind. Ze stond op en greep mijn hoofd. “Wát heeft hij je aangedaan?!” ze gilde bijna.
“Niets, ik zie hem morgen”, en na die geheimzinnige uitspraak verliet ik de kamer, terwijl mijn moeder angstig ijsbeerde en mijn vader over zijn hoofd krabte. Na deze dialoog vond ik dat de tijd rijp was om twee uur in bad te zitten, me helemaal schoon te schrobben en daarna met natte haren in slaap te vallen, zodat morgen eerder zou komen en ik het hoofdstuk Marcel daarna voorgoed af kon sluiten. Ik voelde me zo smerig, zo zullen meisjes uit de Cosmo Girls en dergelijke magazines zich moeten voelen die daar dramatische verhalen vertellen over hun verkrachtingen, als ze zeggen dat ze daarna wel twee uur hebben gedoucht.
Toen ik in bad zat en er overal onthoofde barbies om me heen dobberden, kon ik eindelijk weer wat tot rust komen. Je kon zeggen wat je wil, maar door deze knul was mijn leven plotseling een andere weg ingeslagen. Ik was altijd bang geweest dat ik alleen zou eindigen, maar nu leek dat idee me plotseling zo gek nog niet, en ik kon het niet laten om de hele rats een stuk positiever in te zien.
Ik belde die ene populaire vriendin, en zij geloofde niet dat ik hem niet leuk vond, want anders zou ik er niet over bellen. “Kom op zeg, ik ken jou langer dan vandaag. Alles waar je iets over te zeiken hebt, is je aandacht waardig. Meneer Marcel is daar het levende voorbeeld van!” ik wilde nog bijna uitleggen dat ik niet voor niets zat te zeiken in plaats van dat ik liefkozende woordjes over hem sprak, maar met haar viel niet te praten. “Het is niet erg om liefde voor iemand te voelen, echt niet! Misschien moet je het eens proberen, anders is er straks niemand die je luiers kan verschonen als je oud, incontinent en verlept bent!” en met die geruststellende woorden legde ze de telefoon neer.
Toen ik de volgende dag naar zijn huis liep, wat helaas veel te dichtbij het mijne was, had ik een vreemd voorgevoel. Ik voelde me sowieso al een beetje onwerkelijk, en ik vroeg me af hoe ik in hemelsnaam in zo’n situatie verzeild kon zijn geraakt. Het had een hele gewone jongen geleken toen hij een gesprekje met me aanknoopte in een pittoresk café. Of nou ja, niet helemaal gewoon, hij praatte wel wat te enthausiast over zijn wandelende takken, waar ik overigens helemaal niet van hou. Ze wiebelen zo raar. Maar goed, zijn geratel over zijn wandelende takken viel hem niet aan te rekenen, aangezien ik ook in geuren en kleuren had verteld over de glitterkamer, de prinsessenkamer en de ballenbak-speelparadijs kamer.
Toen ik twintig minuten na de aangewezen tijd op de aangewezen plaats was, was ik wat verbaasd. Ik stond voor een kast van een huis, wat ik trouwens best een vreemde uitdrukking vind voor een huis aangezien een huis meestal wel wat groter is dan een kast. Het had een ouderwetse deurbel waar ik ook daadwerkelijk aan kon trekken. Ding-dong klonk door het huis en ik hoorde getik van hakken op de houten vloer van binnen de voordeur naderen.
“Kom erin liefje, doe je schoenen uit, voel je thuis! Jij moet Theodora zijn!” zei ze, en ik had gelijk, het was inderdaad een bolle, praatgrage, zorgzame moeder. Dat was in één oogopslag te zien. Ietwat verlegen stapte ik naar binnen, terwijl ik haar hand schudde en “dank u” mompelde.
“Kom verder, we beginnen net aan de thee!” Thee? Ik had me toch zeker een verassing laten aanpraten? Ik kwam hier echt niet om gezellig thee te gaan zitten leuten met de makers van dat gedrocht wat zich mijn date mocht noemen terwijl ik ze hierna toch nooit meer terug zou zien. Nee, dan had hij me toch echt verkeerd begrepen toen ik hem niet al te enthausiast terugzoende. Was dit voor hem de officiele kennismaking met zijn ouders? Zou ik die binnen enkele momenten bruut verstoren door te vertellen dat dit allemaal één groot misverstand was?
“Ik zal Marcellekelief even roepen, moment! Hij is zich vast nog aan het opdirken, hij doet altijd zo zijn best voor je!” ze ratelde maar door.
“Ja, dat heb ik gemerkt ja…” antwoordde ik wijfelend. Ik had inderdaad duidelijk opgevangen dat hij méér dan zijn best voor me deed. Ik geloof dat hij een bank zou beroven als ik het hem vroeg. Ik geloof dat hij zelfs zijn moesjelief in mootjes zou hakken. Dan zou hij zeggen: “Als dat is wat je wil…” vervolgens zou hij me een pakketje sturen met een paar stukjes lichaam erin.
Een gebulder wat ik niet had verwacht van zo’n aardig bol klein vrouwtje galmde door het huis, ze riep haar zoontjelief en gedwee kwam hij meteen de trap af. Hij had een verschrikkelijk overhemd met bloemen erop aan. Daaronder een zwarte, strakke ribbroek. Hoe verzon hij het toch?
Hij begon meteen hevig te blozen toen hij me daar in de hal zag staan met zijn moeder en ik zag dat hij de trapleuning stevig vastgreep, misschien was hij bang om een nog belachelijkere entree te maken als hij ook nog eens struikelde en de trap afrolde. Hij hoefde zich aan mij in ieder geval niet meer te bewijzen, daar was het wellicht een tikkeltje te laat voor.
“Aww look at you!” troetelde de moeder. Ze duwde me naast hem, en plotseling toverde ze haar camera te voorschijn en bracht ons daarmee in een erg ongemakkelijke situatie. We gingen niet naar een bal ofzo, we zouden alleen maar thee gaan drinken.
Na een paar foto’s gemaakt te hebben, terwijl ik geen idee had hoe ik moest staan, vond de moeder het blijkbaar wel voldoende en konden we eindelijk de theekamer binnen gaan. Marcel’s vader bromde wat vanuit een hoekje, en ik was blij dat hij gewoon een gezonde, chagrijnige vent was. Ik stelde me aan hem voor als Theodora, en zijn antwoord was: “Weet ik. Alsof hier ooit een ander meisje zou komen.”
Er volgde een ongemakkelijke stilte en die benutte de moeder door de theepot extra hard op de tafel neer te zetten en met servies te rinkelen.
“Nou, ga zitten lieverd, doe alsof je thuis bent!” zei de moeder, die zo te zien dolblij was dat haar zoon eindelijk een meisje had meegenomen, ook al was ik dan nog zo stil, chagrijnig en op het punt om hem te dumpen. Ik ging zitten, naast Marcel en tegenover zijn moeder. Het was een erg grote, ouderwetse tafel, en iedereen zat erg ver uit elkaar. We hadden het over koetjes en kalfjes, of nou ja, vooral zij, en ze hadden het over zaken waar ik niets vanaf wist.
“Hemeltjelief, Theodora! Praat niet zoveel, ik krijg hoofdpijn van je!” zei de moeder. Ik worp haar een dodelijke blik toe, die ik snel verbeterde met een lief glimlachje. Als ik niet wist waar het over ging, hoe kon ik dan meepraten? Dat wilde niet zeggen dat ik verlegen was. Ik moest moeite doen om deze gedachte niet uit te spreken, maar ik kon mezelf redden, ook al had ik dolgraag willen weten wat er gebeurde als ik het gewoon had gedaan. Dat zou weer eens een prachtige memoriabel zijn waar ik later vol trots aan terug kon denken.
Gelukkig redde zijn vader me. “Misschien moet het over iets anders gaan.”
Of nou ja, redde? “Goed… Ik heb natuurlijk al veel over je gehoord, maar op één of andere manier weet ik nog steeds niet wat je voor school doet…”
Ik moest ernstig veel moeite doen om niet met mijn ogen te rollen. Ja, als je niets hebt om over te praten, dan ga je het maar over school hebben. Dat had ik al gemerkt op de middelbare school, de vriendengroepjes waarbij het enige was wat hen bond, school was. Zeiken over school, over de roosters, over dat hun cijfers een 8,6 was in plaats van een 8,9 wat niets uitmaakt aangezien het af werd gerond, wat een problemen. Daar is nooit meer wat van over als je niet meer aan dezelfde school gebonden bent.
“Ik zit in het laatste jaar havo”, was mijn antwoord. Er viel even een dodelijke stilte, en ze leek niet erg onder de indruk, maar zei toen met een geforceerd lachje: “mooi zo, je hebt tenminste hersenen. Denk je dat je het gaat halen?”
Ik was negentien, en liep dus een jaar achter op de ‘normale wereld’. Was dat een reden voor haar om zo achterlijk te doen?
“Ik hoop wel dat ik het haal, ja” was mijn antwoord, wat ik beter anders had kunnen formuleren. Ik had gewoon moeten doen alsof ik zeker wist dat ik het ging halen, maar gelukkig vatte ze het goed op. “Examenstress, dat hoort erbij hé. Jullie tieners zijn altijd veel te onzeker over jezelf!”
“Daar staan we om bekend” zei ik, met net zo’n geforceerd lachje als zij.
“Mijn lief gaat het zeker halen” glibberde Marcel terwijl hij zijn grote, zweterige hand in mijn nek legde. Ik wierp hem een boze blik toe, waarna hij zijn hand weghaalde en wanhopig maar een droog en smakeloos uitziend koekje pakte van de schaal op tafel.
“Wil je ook een koekje? Ik zei toch dat je moest doen alsof je thuis bent!” zijn moeder hield me de schaal voor.
“Nee hoor, ik hoef niet, dank u wel”, was mijn antwoord.
“Je hoeft niet beleefd te zijn, als je een koekje wilt, neem dan een koekje! Daar zeg je toch geen nee tegen?”
Wat begreep ze niet aan ‘ik hoef niet’? “Ik ben niet beleefd, ik wil gewoon geen koekje”, flapte eruit. Iets te niet-beleefd. Wederom zo’n dodelijke stilte, ik wist niet of ik dit nog langer vol zou houden. Al die ongemakkelijkheid, en iedereen die deed alsof ik contactgestoord was. Marcel bemoeide zich er niet mee, hij wilde zijn moeder niet beledigen, maar mij ook niet, want hij was er van overtuigd dat hij van me hield. Wat deed ik hier in hemelsnaam? Ik kwam ineens met mijn volle besef terug in de kamer, en ik wist echt dat ik hier weg moest, maar hoe kon ik dat doen zonder al te onbeleefd te zijn? Straks kwam de vader me nog achterna met een jachtgeweer. Die norse, chagrijnige man leek ook ineens als een extra ongemakkelijke last op de hele situatie te drukken.
“Oké, oké, je hoeft niet, als je niet wilt. Jullie kunnen naar boven gaan, Marcel. Ik wil even wat met je vader bespreken. Neem de theepot maar mee”. Zijn moeder leek verre van blij. Waarschijnlijk werd er nu besproken dat Marcel dan nog zo blij mocht zijn dat hij eindelijk een vriendin had, toch moest hij weten dat ik niet goed voor hem was. Ik was dom, onbeschoft, contactgestoord en ráár… We moesten er metéén mee stoppen. Dat zou me nog eens mooi uitkomen.
Toen Marcel en ik boven waren, vond ik dat ik iets moest zeggen. “Het was niet echt een slim idee om me uit te nodigen op de thee, geloof ik” alsof het zijn schuld was dat ik me zo had gedragen. Nou ja, gedragen? Ik had eigenlijk niets verkeerds gedaan. Zij zouden toch onderhand wel moeten weten hoe een normaal gesprek in elkaar steekt? Zij waren de volwassenen.
“Het spijt me dat het zo moest gaan. Maar goed, laten we ons niet op de kop laten zitten, die volwassenen begrijpen er toch nooit iets van. Ik ben blij dat we hier nu samen zijn, want ik moet je iets belangrijks laten zien”, zei hij, slijmerig, zoals ik hem kende.
“Ja, dat werd wel eens tijd. Ik had niet echt verwacht om ‘gezellig’ met je ouders koffie te gaan drinken…” zelfs de aanhalingstekentjes gebaarde ik erbij met mijn handen, zodat het wat gemener over zou komen.
“Wat ben je toch ongeduldig!” zei hij, en vervolgens tikte hij me op mijn neus. Ik keek hem woedend aan, maar dat liet hem niet uit het veld slaan. Wat vond hij zo leuk aan mij? Ik was onaangenaam, ik had nou niet echt het gevoel alsof ik ooit erg lief tegen hem had gedaan. Misschien was dat het. Hij noemde me ook wel eens ‘een pittige dame.’ Had dat mijn ondergang betekend?
Ik keek eens rond in zijn kamer, en zag wat ik al verwacht had te zien. Het was ontzettend opgeruimd, en het zag er onbewoond uit, behalve dan dat het dekbed een paar kreukels vertoonde. Het gebrek aan persoonlijke spullen stoorde me, het was nou niet echt bepaald duidelijk dat het zijn kamer was. Het had net zo goed die van een ander kunnen zijn. Er stond een computer, eentje uit de middeleeuwen geloof ik, waar hij waarschijnlijk dagen achter elkaar World of Warcraft op zat te spelen, als zijn ouders dat tenminste toelieten. Ze leken me niet de makkelijksten, al zouden ze misschien liever willen dat hun zoontje dagen achter zijn computer zat te creperen dan dat hij dagenlang wegbleef en dronken avonturen zou beleven en iets van de wereld zou zien wat eventueel een slechte invloed op hem zou kunnen hebben… zoiets als ik. Ik begon me toch wel af te vragen hoe hij ooit in hetzelfde café als ik had kunnen belanden, al was het dan niet echt de plek waar ik het liefst heenging als ik avonturen te beleven. Nee, het was maar gewoon een duffe plek. Precies een plek om mensen te ontmoeten waar je het beste ver van uit de buurt kon blijven. Nogmaals vroeg ik me af hoe ik in deze situatie verzeild kon zijn geraakt. Het was vast de schuld van mijn vriendin, zij had me gedwongen om hem een kans te geven. Ja, dat moest het zijn. Als zij me niet zo gek had gemaakt met het idee dat ik, moederziels alleen, in mijn eigen dagenoude urine en zweet zou sterven, was dit allemaal nooit gebeurd. Zij had het allemaal zo goed voor elkaar, en daarom moest ze natuurlijk wel kunnen zeiken over het miserabele leven van een ander, zodat ze haar eigen perfectie duidelijker kon zien. Anders had ze er natuurlijk niets aan.
Ik wilde hier zo graag weg, en dat terwijl het ergste deel nog niet eens was gekomen. Als ik toen had geweten wat er ging komen, was ik dan gewoon gillend weggerend, of had ik hem alsnog de kans gegeven zijn meesterwerk aan me te vertonen? Ik wist het niet.
Ik keek hem verwachtingsvol aan, nep-verwachtingsvol natuurlijk, ik hoef waarschijnlijk niet uit te leggen waarom. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk weg. Waarom duurde alles zo Godsgruwelijk lang bij deze jongen? Als het de bedoeling was om spanning op te bouwen, begreep hij me toch echt verkeerd.
Er werd op de deur geklopt, en nog geen twee seconden later stonden zijn moeder én vader in de slaapkamer. Ik stelde me even voor, en dat was heel moeilijk, hoe het zou zijn als ik een wederzijdse hartstochtelijke relatie met Marcel had gehad, en we elkaar als beesten hadden besprongen zodra we even alleen waren. Als de kledingstukken in het rond hadden gevlogen, en we elkaar alle hoeken van de kamer hadden laten zien, wat was er dan gebeurd als zijn ouders op de deur hadden geklopt en twee seconden later in de kamer hadden gestaan? Ze gaven ons niet eens de kans om ‘binnen!’ te zeggen. Maar goed, ze hadden nu niets te klagen, en dat zou waarschijnlijk ook nooit gebeuren, want we stonden gewoon netjes een paar meter uit elkaar, en niemand wist wat voor een dodelijke tirade aan vloeken zich in mijn hoofd afspeelde.
De gedachte aan Marcel en mij die innig verstrengeld op zijn keurige éénpersoons bedje lagen, maakte dat ik moest kokhalzen, en ik probeerde het nog te verbergen, maar het werd opgemerkt. Ik zag de wenkbrauwen van Marcel’s moeder even omhooggaan toen ik dat onsmakelijke geluid maakte, maar ze hield er verder haar mond over. Onwillekeurig dacht ik dat ze zich best in haar hoofd zou kunnen halen dat ik zwanger was, van een andere jongen uiteraard. Nou, dan kende ze mijn grote en terechte angst om alleen te eindigen nog niet.
“Mijn jongen, ik kwam even de theepot ophalen…” begon zijn moeder, “… want we krijgen zodadelijk nog meer visite. Roderick en Felicia, weet je wel? Ze nemen hun dochter mee, echt een heel leuk meisje. Je moet er beslist bij zijn, dat zal hun dochter ook gezellig vinden.”
Ik geloofde mijn oren niet. Was ik dan echt zo erg dat Marcel, waar ik notabene bij stond, gekoppeld moest worden aan een ander meisje? Eentje die wel hun goedkeuring kon wegdragen?
Ik gaf haar de theepot. “Hier is de theepot, mevrouw, en ik ben al weg, hoor.” Ik wilde naar de deur lopen, maar Marcel greep mijn pols vast.
“Moeder, vader, Theodora, er is iets dat jullie moeten weten.”
Kwam het nu dan eindelijk? Zou ik hierna eindelijk weg kunnen? Hij richtte zich vooral tegen zijn ouders.
“Ik hou van dit meisje. Ik ken haar nog niet zo lang, maar ik heb het gevoel alsof dat niet nodig is, want ik weet gewoon zéker dat ze mijn zielsmaatje is. Misschien ben ik wat overhaast, maar ik snap niet waarom we zouden moeten wachten als we toch beiden zeker weten dat we bij elkaar horen? Misschien weet je het nu nog niet, Thee, maar ik weet het wel. Je hoort bij mij. We hebben nog alle tijd om je daar achter te laten komen, maar als ik naar de toekomst kijk, dan zie ik ons samen.”
Ik was sprakeloos, want er was niets van waar. Hoe kon hij dat weten, als hij geen geflipt medium was? Nou ja, ik kon natuurlijk ook niet zeker weten dat hij géén geflipt medium was, maar toch.
Ik zei niets. Zijn ouders zeiden niets. En terwijl de stilte dodelijker en dodelijker werd, begon hij zijn foeilelijke overhemd los te knopen. Ik keek een andere kant op want ik wilde niet weten wat zich daaronder bevond, maar zijn ouders slaakten kreetjes.
“Theodora, kijk me aan,” zei hij, erg zeker van zijn zaak. Ik keek.
Op de plek waar zijn hart zou moeten zitten, zat een tattoeage van een levensechte vleeswond. Zijn hart was er niet in te zien, en ik kreeg al een donkerbruin vermoeden wat er zou gaan gebeuren. Ik had nog nooit zo’n lelijke tattoeage gezien, en ik vroeg me af of dit zijn verassing was.
“Dit heb ik voor jou gedaan, Thee. Ik heb mijn hart eruit getrokken voor jou…” dramatisch maakte hij het bijbehorende handgebaar, “… en ik wil dat je het neemt en voor altijd bij je houdt. Neem het. Neem mijn hart.”
Ik snapte niet hoe hij dit met een bloedserieus gezicht kon doen. Hij meende het echt. Ik wist dat zijn lichaam niets meer waard was als ik hem afwees, maar ik kon er ook niets aan doen dat deze jongen zo bezeten was geworden. Het was het meest romantische, maar ook het meest enge wat ik ooit had meegemaakt en ooit zou meemaken, wist ik. Ik kende mezelf, en ik wist dat ik hier nog tijden van slag door ging zijn. Hoe haalde hij het in zijn hoofd om zo met me om te gaan?
Het eerste wat in me opkwam om te zeggen gooide ik er maar gewoon uit. “Wat moet ik met een bloederig klompje orgaan, afkomstig uit jouw lichaam?”
Ik hoorde een doffe bonk, en de moeder van Marcel lag op de grond. Ze was flauwgevallen. De blik van Marcel’s vader was moeilijk te doorgronden, maar ik zag een ader bij zijn voorhoofd gevaarlijk kloppen. Hij vroeg zich ongetwijfeld af hoe hij als ouder zo had kunnen falen. Dit bracht hij dan ook zeer succesvol onder woorden: “Marcel, ik schaam me dat je mijn zoon bent. Sterker nog, je bent mijn zoon niet meer.”
Vernederd dat ik hier bij moest zijn, stapte ik over het bewusteloze lichaam van Marcel’s moeder heen, op weg naar de deur.
“Wacht, Thee… Je kunt niet zomaar weg gaan nu… Neem je mijn hart dan niet aan?” vroeg hij, en mijn eigen hart brak bij het horen van al het verdriet in zijn stem. Het deed me pijn dat er zulke mensen op deze aarde rondliepen. Het was een onveilige plek geworden, bedoezeld.
“Ik neem je hart aan, Marcel…” begon ik, waarbij hij direct begon te stralen, “… om het te verbranden en alle gestoorde geesten die zich daarin bevinden voorgoed uit te roeien. Je komt er wel overheen”, en met die woorden verliet ik het pand, om nooit meer terug te komen, deze zojuist gebroken en besmette famillie achter me te laten en een eenzame kattentoekomst tegemoet te gaan.