Klad #2 - Tranen van liefde
Een schrijfsel in klad, over hoe liefde een jongen kan wegblazen en over een mogelijke eindbestemming van de Zielsvlucht.
Ze duwde me speels in het bed. Ik was bang, maar ik wist dat ze geen kwade bedoelingen had dus ik liet haar doen. Ze kroop naast me en lachte naar me met haar schitterende bruine ogen. Ik staarde terug en zo verloor ik mijn verstand. Overweldigd met ontzag liet ik haar me op de wang kussen. Ik keek even naar haar haren, hoe ze over haar schouder stroomden. Plots voelde het allemaal heel echt. Ik verloor mijn greep op mijn gevoelens. Al die tijd had ik mijn emoties vast gehouden in een bel, diep in mijn hart. Nu barstte die bel plots open. Ik werd zo ontzettend bang. Ze klemde zachtjes haar armen om me heen maar ik wou mezelf van haar bevrijden.
"Je bent zo mooi.” Stotterde ik vol angst.
Ze kermde blij als antwoord. Ze begon iets te in mijn oor te fluisteren maar dan merkte ze dat ik van haar aan het weg schuiven was. Ze liet me los en nam mijn schouders vast.
"Gaat het?" vroeg ze bezorgd.
"Je bent te ..." probeerde ik, maar ik kon mezelf niet tegenhouden en mijn woorden werden onderbroken door een plots gesnik en een traan die van mijn wang liep.
"O Zelf toch!" zei ze bezorgd, en ze maakte aanstalten om me weer te omhelzen.
"Zelf, wat is er?" vroeg ze nu heel bezorgd.
"Ik..." probeerde ik. Mijn gevoelens zogen mijn verstand weg.
"Ik kan dit niet." zei ik.
"Ik kan je dit niet aandoen." zei ik.
"Wat aandoen?" vroeg ze verward.
"Dit." zei ik. "Ik kan dit niet."
"Wat niet?" vroeg ze. "Kussen?"
Ik schudde mijn hoofd en probeerde tegen mijn bewolkte geest in mijn gevoelens te verwoorden.
“Ik kan je dit niet met mij laten doen.” Zei ik “Ik ben je niet waard. Ik verdien je niet.”
“Jij verdient mij niet. Jij verdient beter.” huilde ik.
“Zelf.” Zei ze heel serieus. “Dat is niet waar. Je bent fantastisch.”
“Jij bent perfect,” snikte ik. “je verdient zo veel meer.”
“Zelf!” zei ze. “Ik hou van je!”
“Ik hou ook van jou.” Zei ik met enige moeite.
Ze glimlachte lief en bracht haar hand naar mijn hoofd. Mijn hoofd ontweek het. Ze begreep het niet.
“Zelf, het is oké.” Zei ze.
Ik schudde mijn hoofd en strompelde het bed uit.
“Sorry.” Zei ik opnieuw. De tranen bleven lopen.
“Zelf?” vroeg ze vanop de bedrand. “Stop met sorry zeggen. Je had me beloofd geen sorry meer te zeggen.”
“Het spijt me!” zei ik terwijl ik begon te huilen als een kleuter.
“Zelf er is niets mis met je! We kunnen knuffelen. We kunnen kussen. We kunnen alles doen.” zei ze terwijl ze rechtstond en op me af stapte.
“We kunnen samen zijn!” zei ze.
Ik stond daar te beven terwijl ze weer dichter bij mij kwam en mijn handen vast pakte. Ze keek me aan maar ik probeerde van haar weg te kijken. Ze was te lief. Ze was te mooi. Ze was te veel. Ze overlaadde mijn zintuigen. Zachtjes zei ze mijn naam terwijl haar gezicht weer dichter bij dat van mij kwam. Ik voelde hoe haar lippen dichter bij de mijne kwamen. Ik panikeerde. Eerst stapte ik van haar weg, dan rende ik ervandoor. Ze bleef verward en bezorgd achter. Ik rende de kamer uit, en holde huilend van de trap. Op de derde laatste trede gleed ik uit en ik viel de grond op.
“Zelf!” klonk er nog vanuit de kamer.
Ik krabbelde weer overeind en liep verder. Ik gooide de achterdeur open en rende de koude nacht in. Het bos in waar de bomen me omsingelden. Ik dwaalde tussen de stammen door. Huilend. Hijgend. Schreeuwend. Ik haatte mezelf. Ik voelde me zo kapot. Zo defect. Compleet gestoord. In mijn hoofd zag ik beelden van andere vreemde planeten, hemelse engelen en helse duivels, kwade dansende machines, de veldslagen van insecten, ruimteschepen die opstegen, vlogen en landden, brekende splijtkoppen en brokken metaal die door mijn dromen vlogen. Ik zag mijn duizenden spiegelbeelden. Ik zag mezelf in vier delen. Ik zag mezelf alleen in mijn schedel zitten. Het was al dat ik kende. Het was al dat ik was. Mijn hele bestaan, kolkte aan hoge snelheid om me heen. Het danste om mijn ziel heen. Het was mooier dan ik ooit zou kunnen schrijven. Ik duizelde en liet me tegen een dikke boom vallen. Daar zat ik dan ineengedoken te huilen. Mijn handen klauwden aan mijn gezicht uit frustratie.
Toen mijn gehuil gesnik werd, hoorde ik twijgjes knakken in de buurt. Ze stapte zachtjes naar me toe. Ze legde een hand op mijn schouder en ging naast me zitten. Ik keek op. Ik was zo in de war.
“Je bent me achterna gerend?” vroeg ik door mijn tranen door.
“Natuurlijk.” Zei ze. “Jij idioot.”
Ze klonk niet kwaad. Ze streelde over mijn rug en liet me ontladen.
“Je houdt echt van me?” vroeg ik beduusd.
“Ja,” zei ze geduldig. “ik heb het alleen nog maar duizend keer gezegd.”
Ik begon weer harder te huilen. Ik voelde me zo zwak, te zwak om zo tegen de boomstam te blijven liggen. En dus liet ik me in haar armen vallen. Haar lichaam voelde warm en troostend aan. Ik was te ver weg om nog bang te zijn. Ze streelde me door mijn haar.
“Niemand zal toch ooit weten wat er zich allemaal afspeelt in dat mooie hoofd van jou.” Zei ze zachtjes.
“Stop daar mee.” Zei ze. “Ik hou van je.”
“Ik hou ook van jou.” Snikte ik terwijl ik mijn natte gezicht tegen haar aandrukte.
Het duurde even voor ik stopte met huilen maar uiteindelijk kwam mijn hoofd tot rust. We bleven daar liggen, liefdevol in elkaar verstrengeld. Ze fluisterde de liefste dingen in mijn oor. Ik fluisterde terug. Ik kuste haar zelfs. Af en toe lachten we. Pas toen het zonlicht weer door de takken boven ons scheen, stonden we op. Hand in hand liepen we terug naar het huis.
Op weg terug keek ik heel even weer om. Naar een mooi spinnenweb dat daar tussen de takken hing. Het was prachtig.